Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1282

Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2301 WWB + 07/5666 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkring. Schending inlichtingenverplichting, waardoor recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Erfenis. Criminele activiteiten. Detentie. Door Raad vaststelling hoogte terugvordering.


Uitspraak

07/2301 WWB 07/5666 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2007, 06/293 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) Datum uitspraak: 9 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. H.J.G. Heijen, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diederich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Heijen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene ontving sinds 26 maart 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van ter beschikking van appellant gekomen informatie uit een strafrechtelijk onderzoek over betrokkene, heeft de afdeling Controle & Opsporing van de Sociale Dienst Amsterdam een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 november 2004. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft appellant bij besluit van 20 december 2004 de bijstand van betrokkene over de periode van 1 december 2001 tot en met 30 juni 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 46.260,01 van betrokkene teruggevorderd. 1.2. Bij besluit van 6 december 2005 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2004 ongegrond verklaard op de grond dat betrokkene de wettelijke inlichtingverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet valt vast te stellen. Betrokkene heeft volgens appellant ten onrechte niet gemeld dat zij in december 2001, 2002 en 2003 steeds € 12.000,-- heeft ontvangen uit een erfenis van haar overleden ouders. Verder heeft zij niet gemeld sinds begin 2003 betrokken te zijn geweest bij criminele activiteiten en heeft zij ook haar verblijf in detentie in 2004 niet doorgegeven. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 6 december 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft hierbij met betrekking tot de verkregen erfenis overwogen dat voldoende aannemelijk is dat betrokkene een erfenis heeft verkregen en dat zij daaruit in december 2001, 2002 en 2003 een bedrag van € 12.000,-- heeft ontvangen. Gelet echter op de hoogte van het bedrag dat jaarlijks in december werd uitbetaald, in combinatie met het voor betrokkene geldende vrij te laten vermogen (in 2001: ƒ 20.600,--, in 2002: € 9.640,-- en in 2003: € 9.950,--), is de rechtbank van oordeel dat er voor appellant voldoende aanknopingspunten zijn om het recht op bijstand vast te stellen. Met betrekking tot de betrokkenheid bij criminele activiteiten is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende houvast is voor het standpunt dat betrokkene reeds vanaf maart 2003 bij criminele activiteiten betrokken was aangezien het bewijsmateriaal voor die betrokkenheid ziet op een periode vanaf medio december 2003. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat met de informatie over de verkregen erfenis het recht op bijstand van betrokkene wél vastgesteld kan worden. Volgens appellant is dit niet mogelijk omdat betrokkene onvoldoende opheldering heeft verschaft over de vraag op welk moment zij precies de beschikking kreeg over de genoemde bedragen en evenmin gedurende welke periode zij daarover bleef beschikken. Volgens appellant is reeds op deze grond de intrekking en terugvordering van bijstand over de gehele in geding zijnde periode gerechtvaardigd. 4. Op 10 juli 2007 heeft appellant ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen. De Raad merkt het besluit van 10 juli 2007 aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene van 2 februari 2004 tot 5 maart 2004 en van 19 maart 2004 tot 25 mei 2004 op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen recht op bijstand had omdat haar gedurende die periodes rechtens haar vrijheid was ontnomen. 5.2. Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met de verkregen informatie over de ontvangen bedragen uit de erfenis het recht op bijstand van betrokkene wél vastgesteld kan worden. Onduidelijk is immers gebleven op welke data zij de beschikking kreeg over de bedragen en hoelang zij daarover bleef beschikken. De Raad gaat voorbij aan de grief van betrokkene dat er geen sprake is van een erfenis en zij deze enkel heeft verzonnen als gevolg van de druk die op haar in het strafrechtelijk onderzoek werd uitgeoefend. De rechtbank heeft immers in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene een erfenis heeft verkregen en daaruit in december 2001, 2002 en 2003 een bedrag van € 12.000,-- heeft ontvangen. Tegen dit oordeel van de rechtbank heeft betrokkene geen hoger beroep ingesteld, zodat de Raad volgens vaste rechtspraak, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 8 februari 2005, LJN AS5876, van de juistheid van dit oordeel dient uit te gaan. 5.3. Uit hetgeen onder 5.2. is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou moeten doen en het beroep tegen het besluit van 6 december 2005 beoordelen. 5.4. Uit hetgeen de Raad onder 5.2. heeft overwogen volgt dat - met uitzondering van de twee hierboven genoemde periodes waarin betrokkene rechtens van haar vrijheid was beroofd en daarover geen recht op bijstand had - het recht op bijstand over de hier in geding zijnde periode niet vastgesteld kan worden en dat appellant bevoegd was om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van betrokkene over de gehele in geding zijnde periode in te trekken. De vraag of het College ook tot intrekking bevoegd was op de grond dat betrokkene, zonder daarvan melding te maken aan appellant, heeft deelgenomen aan criminele activiteiten en als gevolg daarvan, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, kan dan ook buiten verdere bespreking blijven. Appellant heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken. 5.5. Uit hetgeen onder 5.4. is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat appellant bevoegd was tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 1 december 2001 tot en met 30 juni 2004. Appellant heeft daarbij gehandeld overeenkomstig het door de Raad ter zake van terugvordering gehanteerde niet onredelijk geachte beleid. Uit de berekening bij de gedingstukken blijkt echter dat appellant over 2001 een bedrag van € 13.295,79 aan kosten van bijstand van betrokkene terugvordert en dat dit bedrag ziet op de kosten van bijstand van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001, terwijl enkel de kosten van bijstand over december 2001 teruggevorderd kunnen worden. Uitgaande van de hiervoor bedoelde berekening komen de kosten van bijstand over de maand december 2001 neer op € 1.084,16. Het besluit van 6 december 2005 komt dan ook wat de hoogte van de terugvordering betreft voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de hoogte van de terugvordering met € 12.211,63 te verlagen (13.295,79 minus 1.084,16) en op € 34.048,38 vast te stellen. 5.6. Het voorgaande leidt er tevens toe dat aan dit in 4 genoemde besluit van 10 juli 2007 de grondslag is komen ontvallen zodat dit besluit dient te worden vernietigd. 6. Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over onterecht ingehouden geldbedragen. De Raad overweegt dat dit verzoek voor toewijzing in aanmerking komt voor zover betrokkene inmiddels meer dan het hiervoor nader vastgestelde bedrag van € 34.048,38 heeft afgelost. De Raad stelt vast dat de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding vormen om hiervan uit te gaan. Mocht dit anders zijn dan kan betrokkene zich tot appellant wenden met het verzoek om een zelfstandig schadebesluit te nemen. Op de gemeente rust dan de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. 7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent griffierecht en proceskosten; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 6 december 2005 voor zover dit ziet op de hoogte van de terugvordering; Stelt het van betrokkene terug te vorderen bedrag aan bijstand vast op € 34.048,38; Vernietigt het besluit van 10 juli 2007. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 september 2008. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) R.B.E. van Nimwegen. OA