Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1280

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/341 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Terecht in staat geacht om vijf dagen per week gedurende acht uur per dag arbeid te verrichten die in overeenstemming is met psychisch beperkte belastbaarheid?


Uitspraak

07/341 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 december 2006, 06/1035 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. N.F.J. Sijstermans, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.H.M. Lagerwaard. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is vanaf 1 maart 1999 gedurende 38 uur per week werkzaam als cv-/servicemonteur in dienst van [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op 27 september 1999 heeft appellant zich na een ongeval ziek gemeld. In verband met zijn psychische problemen is appellant verwezen naar het Vincent van Gogh Instituut, waar hij in februari 2000 is begonnen met een dagbehandeling. Na afloop van de wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In februari 2001 is appellant bij de werkgever op arbeidstherapeutische basis enige werkzaamheden gaan verrichten, die hij in april/mei 2001 heeft uitgebreid tot drie hele dagen per week. Op basis van de inkomsten uit deze arbeid is de WAO-uitkering vanaf 1 maart 2002 uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Met ingang van 1 maart 2005 is de WAO-uitkering herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. 1.2. In verband met een herbeoordeling is appellant op 12 juli 2005 onderzocht door D. Schroers, arts van het Uwv, die tot de conclusie is gekomen dat gezien het klachtenpatroon van appellant sprake is van een conditionele beperking. Naar de mening van deze arts heeft appellant voldoende rustfasen nodig om te voorkomen dat hij uit zijn evenwicht raakt. Om die reden werd een urenbeperking geïndiceerd geacht. In de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn de beperkingen van appellant weergegeven waaronder de beperking dat appellant gemiddeld 25 uur per week kan werken. Vervolgens is appellant op 22 augustus 2005 onderzocht door de verzekeringsarts J. Verhoeven, die tot de conclusie is gekomen dat appellant is aangewezen op fysiek en psychisch niet zwaar belastend werk, maar dat bij dat werk geen noodzaak bestaat voor een medische urenbeperking. De omstandigheid dat mogelijk in het eigen werk aanleiding bestaat voor een urenbeperking is daarbij buiten aanmerking gelaten. Na overleg met een stafverzekeringsarts is de conclusie getrokken dat een urenrestrictie vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt niet aan de orde is. De verzekeringsarts heeft op 17 oktober 2005 een FML opgesteld. Aan de hand van deze FML is een arbeidsdeskundige na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) tot de conclusie gekomen dat appellant in staat is een aantal functies te vervullen, waarmee hij een zodanig inkomen kan verwerven dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 14,8%. Bij besluit van 15 november 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 16 januari 2006 ingetrokken. 1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 november 2005. Hij heeft aangevoerd dat hij een chronisch psychiatrisch patiënt is en dat het om zijn beperkingen vast te stellen noodzakelijk was informatie op te vragen bij zijn huisarts en psychiater, hetgeen ten onrechte niet is gebeurd. Appellant en zijn artsen zijn bang dat hij bij een verandering van het leefpatroon, bijvoorbeeld omdat hij meer uren moet werken, weer helemaal in elkaar stort en hetgeen men tot dan heeft bereikt tevergeefs is geweest. Voorts is aangevoerd dat niet blijkt of de geselecteerde functies voldoen aan de voorwaarde van een zeer gestructureerde werkomgeving. 1.4. Tijdens de hoorzitting op 23 maart 2006 heeft appellant in aanwezigheid van bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen zijn bezwaren toegelicht en daarbij een behandelplan van het Vincent van Gogh Instituut overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich op basis van de medische voorgeschiedenis, de aangevoerde bezwaargronden en de tijdens de hoorzitting verkregen gegevens over het dagelijks functioneren van appellant aangesloten bij de overwegingen van de verzekeringsarts om geen additionele urenbeperking te stellen. De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat er geen argumenten zijn dat appellant niet gedurende een normale werkdag en -week belastbaar zou zijn mits in kwalitatieve zin rekening wordt gehouden met zijn beperkte mentale draagkracht. Bij het besluit van 25 april 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 november 2005 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op een juiste, althans toereikende, medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functies van wikkelaar/samensteller, machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk) en bode-bezorger (kantoor) in overeenstemming zijn met de beperkingen van appellant. Aangezien de vereiste toelichting van de door het CBBS aangebrachte signaleringen pas na het bestreden besluit is gegeven heeft de rechtbank dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen ervan geheel in stand gelaten. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. 3. In hoger beroep heeft appellant zich onveranderd op het standpunt gesteld dat hij niet gedurende 40 uur per week in arbeid belastbaar is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de brief van het Regionaal Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Venray van 26 juni 2006 waarin is aangegeven dat appellant zich met een werkweek van 24 uur net staande kan houden. Ter zitting van de Raad heeft appellant een schrijven van psycholoog en coach drs. N. Bakker, werkzaam bij Drive, The Care Company te Venlo, van 5 augustus 2008 overgelegd waarbij de Raad is verzocht om uitstel van de uitspraak in verband met de afspraak om appellant te verwijzen naar een revalidatiecentrum en een neuroloog voor nader onderzoek en een volledige diagnose. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of appellant terecht in staat is geacht om vijf dagen per week gedurende acht uur per dag arbeid te verrichten die in overeenstemming is met zijn psychisch beperkte belastbaarheid. Naar de mening van appellant is hij daartoe niet in staat en kan hij maximaal drie dagen per week werken omdat het voor hem noodzakelijk is na een dag werken een dag vrij te zijn om te herstellen. De Raad is in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd niet tot de overtuiging gekomen dat vanuit preventief oogpunt een medische noodzaak bestond voor een urenbeperking tot circa 24 uur per week. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben gerapporteerd dat appellant op de dagen waarop hij niet werkt allerlei activiteiten ontplooit, waaronder werkzaamheden in zijn tuin, klussen en knutselen, en dat hij sinds de echtscheiding zijn huishouding verzorgt. Op grond van de medische gegevens, deels afkomstig van het Vincent van Gogh Instituut, en het dagelijks functioneren van appellant hebben deze artsen geen reden gezien voor een urenbeperking ter aanvulling van de vastgestelde beperkingen. In de FML zijn onder meer beperkingen opgenomen ten aanzien van deadlines/productiepieken, handelingstempo en conflicthantering. Uit het tijdens de hoorzitting overgelegde behandelplan, noch uit de brief van sociaal-psychiatrisch verpleegkundige S. de Weerd en psychiater Th. Linka van 26 juni 2006 kan worden afgeleid dat een volledige werkweek een risico inhoudt van verslechtering van de psychische gesteldheid of dat appellant, zoals hij het verwoordt, uit de rails loopt of in elkaar stort. De Raad merkt op dat in genoemde brief van 26 juni 2006 weliswaar de opvatting is weergegeven dat appellant zich met een werkweek van 24 uur net staande kan houden, maar dat een overtuigende motivering ontbreekt. De omstandigheid dat appellant in zijn eigen werk druk ervaart en dat na de echtscheiding nog meer druk op hem is komen te liggen en hij veel externe structuur behoeft, betekent op zichzelf niet dat zijn belastbaarheid in arbeid beperkt is tot 24 uur per week. Daarbij merkt de Raad op dat appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels al sedert jaren gedurende drie dagen per week zonder noemenswaardig ziekteverzuim werkzaam is. Voorts is de Raad niet gebleken dat de gezondheidstoestand van appellant sinds de intrekking van zijn WAO-uitkering is verslechterd of dat de sollicitatieverplichting, die op hem rust sinds hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangt, een negatieve invloed op zijn gesteldheid heeft gehad. 4.2. De Raad ziet geen reden het verzoek van appellant om uitstel van de uitspraak, een heropening van het onderzoek, in afwachting van de resultaten van het beoogde onderzoek in een revalidatiecentrum en door een neuroloog, in te willigen. In geschil is of appellant in verband met zijn psychische gesteldheid slechts een beperkt aantal uren per week kan werken. De Raad vermag niet in te zien dat een onderzoek in een revalidatiecentrum en door een neuroloog nieuwe informatie zal opleveren over de psychische gesteldheid van appellant. Bovendien is veeleer aannemelijk dat de beoogde onderzoeken gericht zijn op de actuele gezondheidstoestand van appellant. Uit de brief van drs. Bakker blijkt niet dat die onderzoeken zich zullen richten op de gezondheidstoestand van appellant op 16 januari 2006, de datum hier in geding. Bij de beoordeling van het bestreden besluit kan geen betekenis worden toegekend aan een eventuele toename van lichamelijk of psychische klachten na de datum hier in geding. 4.3. De Raad heeft derhalve, evenals de rechtbank, geen aanleiding gevonden om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Voorts is de Raad van oordeel dat tijdens de procedure in eerste aanleg toereikend is toegelicht dat de onder 2 genoemde functies in overeenstemming zijn met de voor appellant vastgestelde beperkingen. 4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in aanmerking komt voor bevestiging. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) J.F. Bandringa. (get.) P. van der Wal. JL