Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1273

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5598 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking ziekengeld. Geschiktheid eigen werk. Voldoende medische grondslag?


Uitspraak

06/5598 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2006, 05/2555 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Namens appellante is verschenen dr. mr. E. Tahitu, kantoorgenoot van mr. Wattilete. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is in dienst van twee schoonmaakbedrijven werkzaam geweest als meewerkend voorvrouw gedurende 38 uur per week en tevens als schoonmaakster gedurende 20 uur per week. Vanuit een situatie waarin zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft appellante zich per 7 maart 2004 ziek gemeld nadat zij bij een noodstop van een tram ten val was gekomen. Met ingang van 7 maart 2004 is aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Vanaf 8 september 2004 is appellante geregeld gezien door een ZW-arts, die als diagnose heeft gesteld whiplash-letsel en een depressieve fase. Bij het onderzoek tijdens het spreekuur van 8 juni 2005 is de arts tot de conclusie gekomen dat appellante ondanks de resterende beperkingen weer volledig geschikt is voor haar eigen werk als meewerkend voorvrouw, dat als weinig lichamelijk belastend is aangemerkt. Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 10 juni 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld. 1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 juni 2005. Onder verwijzing naar een notitie van haar behandelend revalidatiearts dr. B.J. Vortman van 16 juni 2005 heeft appellante aangevoerd dat zij gelet op haar pijnklachten als gevolg van het letsel na het tramongeval niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. 1.3. Bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek heeft appellante onderzocht tijdens de hoorzitting-spreekuur op 12 augustus 2005. Vervolgens heeft deze arts informatie ingewonnen bij revalidatiearts dr. Vortman en een bezwaararbeidsdeskundige verzocht onderzoek in te stellen naar het werk van appellante. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op grond van de verkregen informatie van de beide schoonmaakbedrijven een analyse gemaakt van de aard en belasting van de functies van meewerkend voorvrouw en uitvoerend schoonmaakster en daarover op 14 september 2005 rapport uitgebracht. De bezwaarverzekeringsarts is op basis van de eigen bevindingen tijdens het aanvullend spreekuuronderzoek, waarbij geen beperkingen aan het bewegingsapparaat zijn gevonden en evenmin aanwijzingen voor het bestaan van psychopathologie, tot de conclusie gekomen dat appellante zonder meer in staat moet worden geacht de beide functies van schoonmaakster en meewerkend voorvrouw te verrichten. Uit de analyse van de bezwaararbeidsdeskundige is afgeleid dat de beide functies geen lichamelijke en psychische zware belasting meebrengen. Bij het besluit van 16 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juni 2005 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de beschikbare medische gegevens onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de medische belastbaarheid van appellante onjuist is vastgesteld. In de rapportage van A. Krul-van Turenhout, de medisch adviseur van appellante, van 27 juni 2006, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de beoordeling van de belastbaarheid van appellante door de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. 3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rapportage van de medisch adviseur Krul-van Turenhout alle reden vormt om aan te nemen dat haar belastbaarheid door de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist is beoordeeld. Uit die rapportage volgt dat appellante met een chronisch pijnsyndroom kampt, met name van nek, schouder en stuitje. Daardoor is zij in ernstige mate beperkt in het verrichten van haar werkzaamheden die een intensief gebruik van nek en schouders vergen. Dit standpunt wordt onderschreven door dr. Vortman, die kenbaar heeft gemaakt dat appellante niet kan werken omdat zij nog veel pijn heeft van haar letsel C3/C4 en tevens heeft aangegeven dat appellante “vast zit in haar pijn”. Appellante is van mening dat ook het huisartsjournaal, de brieven van de huisarts van 8 augustus 2006 en 5 februari 2007, waaruit blijkt dat zij ten tijde van de hersteldverklaring kampte met een pijnlijke stuit, mogelijk in verband met een oude fractuur als gevolg van het tramongeval, en de verklaring van sociaal psychiatrisch verpleegkundige R.H.M. Wasser van GGZ Buitenamstel van 8 augustus 2006 steun bieden voor haar opvatting. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de belasting van haar werkzaamheden haar belastbaarheid op meerdere onderdelen overschrijdt. Zo moet zij bij het maken van roosters maximaal twee uur aaneen zitten en is daarbij sprake van een langdurig gefixeerde stand van de nek. Bij het schoonmaken dient appellante veel te reiken en zeer regelmatig bovenhands te werken. De functie van meewerkend voorvrouw brengt een aanzienlijk psychische belasting met zich mee omdat zij zelfstandig leiding moet geven en regelmatig moet optreden in conflictsituaties, waartoe appellante zich vanwege haar psychische toestand en concentratieproblemen niet in staat acht. Daarbij heeft appellante er nadrukkelijk op gewezen dat de beide functies tezamen een omvang hadden van 58 uur per week. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. De Raad stelt van dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de beantwoording van de vraag of appellante per 10 juni 2005 geschikt is voor haar arbeid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW als maatstaf voor de arbeid de functies van voorvrouw schoonmaak gedurende 38 uur per week en uitvoerend schoonmaakster gedurende 20 uur per week geldt. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellante de beide functies kan vervullen. 4.2. Naar het oordeel van de Raad is aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek vooraf gegaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de beschikbare medische informatie, waaronder de brief van dr. Vortman van 30 december 2004 en zijn notitie van 16 juni 2005, en heeft na de hoorzitting een aanvullend spreekuuronderzoek verricht en zich daarbij een oordeel gevormd over de lichamelijke en psychische gesteldheid van appellante. Voorts heeft deze arts informatie verkregen van dr. Vortman en heeft zich door middel van een arbeidskundig onderzoek laten voorlichten over de belasting van de beide functies. Alles afwegende is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante per 10 juni 2005 in staat was haar arbeid te verrichten. 4.3. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de rapportage van medisch adviseur Krul-van Turenhout van 27 juni 2006, aangevuld bij de rapportage van 7 juni 2007, onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het bestreden besluit voor onjuist te houden. De medisch adviseur is tot de conclusie gekomen dat appellante lijdt aan een fors pijnsyndroom van vooral nek, schouder en stuitje. Naar haar mening volgt daaruit dat appellante beperkt is ten aanzien van zware nek- en schouderbelastende activiteiten en langdurig zitten (in verband met de stuitproblemen) en kan zij geen werkzaamheden onder tijds- en tempodruk en in een lawaaiige omgeving verrichten. In reactie op deze rapportage heeft bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek aangevoerd dat uit de verkregen informatie van dr. Vortman niet blijkt van een chronisch pijnsyndroom en dat bij het lichamelijk onderzoek op 12 augustus 2005 is gebleken dat appellante haar schouders en nek zonder beperkingen kan bewegen. Bovendien blijkt volgens de bezwaarverzekeringsarts uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige dat de beperkingen die de medisch adviseur heeft aangegeven in het eigen werk niet worden overschreden. De Raad leidt uit de rapportage van 27 juni 2006 af dat de medisch adviseur appellante in staat acht werkzaamheden te verrichten, zij het met inachtneming van een aantal beperkingen. Uit deze rapportage, noch uit de aanvullende rapportage van 7 juni 2007 blijkt dat de medisch adviseur appellante buiten staat acht om gedurende 58 uur per week werkzaam te zijn. De pijn in de stuit, waarover huisarts F. van Weert heeft gerapporteerd, leidt volgens de medisch adviseur uitsluitend tot de beperking dat appellante niet langdurig achtereen kan zitten. 4.4. Uit de brief van sociaal psychiatrisch verpleegkundige Wasser van 8 augustus 2006 kan worden afgeleid dat het verrichte psychiatrisch onderzoek niet heeft uitgewezen dat appellante lijdt aan een (gemaskeerde) depressie, maar dat sprake is van een aanpassingstoornis met gemengde kenmerken van emoties en gedrag. Het advies luidt ontspanningsoefeningen, eventueel via een buurthuis of fysiotherapeut. In reactie daarop heeft bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek aangegeven dat het meer gaat om gedrag-copingsmechanismen dan om een psychiatrische stoornis. De Raad is niet gebleken dat de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts onjuist is. 4.5. Bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen zoals aangegeven door medisch adviseur Krul-van Turenhout in de arbeid van appellante niet worden overschreden. Bezwaararbeidsdeskundige L. Lind is in haar rapportage van 4 april 2007 gedetailleerd ingegaan op de grief dat de belasting van de arbeid van appellante op meerdere onderdelen haar lichamelijke en psychische belastbaarheid overschrijdt. De Raad is van oordeel dat genoegzaam is toegelicht dat de belasting van de beide functies voor appellante niet te zwaar was ook als daarbij wordt uitgegaan van de beperkingen die haar medisch adviseur heeft gesteld. Daarbij merkt de Raad op dat in de beschouwing is betrokken dat appellante in de beide functies 58 uur per week werkzaam was. 4.6. Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 leidt tot de conclusie dat het standpunt kan worden onderschreven dat appellante per 10 juni 2005 in staat was haar arbeid te verrichten. Het Uwv heeft dan ook terecht appellante per die datum ziekengeld geweigerd. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) J.F. Bandringa. (get.) P. van der Wal. JL