
Jurisprudentie
BF1266
Datum uitspraak2008-07-24
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.005.912/01 , C07/47 (oud)
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.005.912/01 , C07/47 (oud)
Statusgepubliceerd
Indicatie
uitleg testament
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.005.912/01
Rolnummer (oud) : 07/47
Rolnummer rechtbank : 05-151
arrest van de derde civiele kamer d.d. 24 juli 2008
inzake
[Appellante],
wonende te [Woonplaats], gemeente [X],
appellante,
hierna te noemen: [Appellante],
procureur: mr. E.M.H. Alkemade,
tegen
[De Moeder],
wonende te [Woonplaats], gemeente [X],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [De Moeder],
procureur: mr. R.W. de Vos van Steenwijk.
Het geding
Bij exploot van 14 december 2006 is [Appellante] in hoger beroep gekomen van het op 20 september 2006 door de rechtbank Middelburg tussen partijen gewezen vonnis. Bij arrest van 24 januari 2007 is een comparitie van partijen gelast. Deze heeft niet plaatsgevonden. [Appellante] heeft bij memorie van grieven één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en daarbij een productie overgelegd. [De Moeder] heeft hetgeen [Appellante] heeft aangevoerd bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. De door de rechtbank in het vonnis van 22 maart 2006 onder 2 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep door geen van partijen bestreden, zodat daarvan zal worden uitgegaan.
2. De volgende feiten staan onder meer tussen partijen vast.
a. Op 18 oktober 1997 is [De Dochter], dochter van [De Moeder], overleden. Zij was eigenaar van een woning met pension, gelegen aan de [Straatnaam] te [Woonplaats].
b. [De Moeder] is bij testament van 7 oktober 1997 benoemd tot enig erfgename van de nalatenschap van [De Dochter].
c. In dit testament is onder meer het navolgende bepaald:
“…
II. Ik benoem tot enig erfgename mijn moeder, onder de last van het hiernavolgende.
III. Indien mijn moeder mijn nalatenschap aanvaardt is het mijn wens:
a. ingeval zij gaat wonen in mijn woning met pension en verdere toebehoren en zij wil dat dit bedrijf wordt voortgezet, dat deze bedrijfsvoortzetting geschiedt door mijn nicht [Appellante] (dochter van broer [van De Dochter]);
b. ingeval zij de woning geheel of gedeeltelijk wenst te vervreemden, dat zij dit inclusief de bedrijfsinventaris allereerst aanbiedt aan genoemde [Appellante] tegen tachtig procent (80%) van de waarde.
…”
d. Op de dag van de begrafenis van [De Dochter] hebben de broers en zusters een brief ontvangen met onder meer de tekst:
“…
Mijn testament ligt bij notaris (…)
Ik had mij voorgenomen om voor mijn moeder te zorgen zolang als ze nog in ons midden zou zijn niet wetend dat mijn leven zo anders zou uitpakken als wij hadden verwacht.
Mocht ik eerder dan zij komen te overlijden wil ik graag dat zij in mijn huis kan blijven wonen en van een ongestoorde oude dag kan genieten.
Je weet dat het mijn wens dat mijn pension, wat ik heb opgebouwd en waar ik keihard voor gewerkt heb, doorgezet wordt. Omdat er ook allerlei fiscale gevolgen aan vast zitten moet je mama helpen dit te verwezenlijken. Aangezien mamma wel 100 wordt moeten jullie mijn huisje piekfijn in orde maken voor haar waarbij ze zelf aan kan geven waar ze wel of niet in betrokken wil zijn bij de bedrijfsvoering.
Omdat mijn nalatenschap na haar overlijden bij mijn broers en zusters terecht moet komen hoop ik dat je daar ook zorg voor zult dragen, maar mijn eerste belang is de zorg voor mijn moeder….”
3. [Appellante] heeft de woning met pension gehuurd van [De Moeder] met ingang van 1 april 1998. Tussen partijen is een conflict ontstaan, waarover tussen partijen geprocedeerd is bij de kantonrechter. Hij heeft vastgesteld dat [Appellante] de huur heeft opgezegd. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Na de huuropzegging door [Appellante] heeft [De Moeder] het pension met hulp van een dochter en schoonzoon voortgezet. Per 1 oktober 2005 heeft [De Moeder] het pension aan een derde verhuurd. [Appellante] stelt dat [De Moeder] in strijd met de last in het testament het pension aan een derde ter verkoop heeft aangeboden en vordert dat de woning met pension en bedrijfsinventaris aan haar te koop wordt aangeboden tegen 80% van de waarde op straffe van een dwangsom. [Appellante] heeft beslag doen leggen op het perceel voorafgaand aan de inleidende dagvaarding. [De Moeder] betwist de stellingen van [Appellante] gemotiveerd.
4. Het antwoord op de vraag of het voor 1 januari 2003 dan wel het nadien geldende recht van toepassing is, behoeft in zoverre geen beantwoording dat de in art. 4:46 BW vastgelegde norm ook voordien gold (HR 3.12.2004, LJN AR0196). Bij de uitleg van dit testament dient derhalve te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
[De Dochter] is in 1997 op veertigjarige leeftijd overleden. Zij was toen ongehuwd en had, naar het hof begrijpt, geen kinderen. In het testament wordt [De Moeder], haar moeder, tot enig erfgenaam benoemd. Zij was eigenaresse van pension [Y], gevestigd in het in 2a genoemde pand.
Uit de hiervoor onder 2d weergegeven brief, die kennelijk door [De Dochter] is opgesteld in de periode tussen 7 oktober 1997 (datum testament, zie eerst geciteerde zin) en 18 oktober 1997 (datum overlijden), blijkt dat de benoeming van [De Moeder] als enig erfgenaam strookt met de bij [De Dochter] voorliggende wens haar moeder te verzorgen, zie “mijn eerste belang is de zorg voor mijn moeder”. Hiervan zal worden uitgegaan.
5. Aan de aanvaarding van de nalatenschap door [De Moeder] is een last/wens verbonden.
Deze last/wens houdt in, zie IIIa:
- indien [De Moeder] gaat wonen in de woning met pension en verdere toebehoren, en
- [De Moeder] wil dat het pensionbedrijf van [De Dochter] wordt voortgezet,
- dat deze bedrijfsvoortzetting geschiedt door [Appellante].
Vast staat dat tussen [De Moeder] en [Appellante] een huurovereenkomst gesloten is met betrekking tot de bedrijfsruimte annex woonhuis, zie productie 3 bij inleidende dagvaarding. Voorts staat tussen partijen vast dat deze huurovereenkomst door [Appellante] is opgezegd en dat de vaststelling van de kantonrechter dat dit heeft plaatsgevonden tussen partijen gezag van gewijsde heeft verkregen, zie conclusie van antwoord randnummer 3. Daarmee is een einde gekomen aan de bedrijfsvoortzetting door [Appellante]. Hiermee is deze last uitgewerkt.
6. Deze last/wens houdt voorts in, zie IIIb:
- indien [De Moeder] de woning wenst te vervreemden,
- het pand inclusief bedrijfsinventaris allereerst wordt aangeboden aan [Appellante] tegen 80% van de waarde.
Vervreemden betekent dat het perceel onder bijzondere titel wordt overgedragen. Hiervan is sprake in geval van bijvoorbeeld een overeenkomst van koop en verkoop, maar niet in het geval van het aangaan van een huurovereenkomst. In dat geval blijft [De Moeder] immers eigenaar van het perceel. Ingeval het perceel na het overlijden van [De Moeder] vererft naar een of meer van haar kinderen, is sprake van rechtsopvolging onder algemene titel en doet zich niet de situatie voor dat het perceel vervreemd/overgedragen is, vergelijk art. 3:80 BW. Voorzover in de processtukken van een andere opvatting wordt uitgegaan, berust deze niet op het recht.
De last/wens rust alleen op [De Moeder], niet op haar erfgenamen. De last/wens houdt niet in dat het perceel na het overlijden van [De Moeder] dient te vererven aan een specifieke persoon. Het staat [De Moeder] inmiddels derhalve zonder meer vrij het pension te verhuren aan derden ter exploitatie en te laten vererven aan wie zij wil. Er valt geen rechtsgrond aan te wijzen die meebrengt dat [De Moeder] het door haar opgestelde testament in het geding dient te brengen, aangezien het haar juridisch vrij staat het perceel met bedrijfsinventaris te laten vererven aan wie zij wil.
7. Ook overigens leggen partijen deze last/wens verschillend uit. [Appellante] stelt dat last a en last b aldus uitgelegd moeten worden dat [De Moeder] niet alleen gehouden is het pensionpand met toebehoren te verhuren aan [Appellante], maar ook het perceel in geval van een voornemen tot verkoop eerst aan [Appellante] aan te bieden tegen 80% van de waarde. [De Moeder] betwist dit en stelt dat uit de tekst van de last blijkt dat [De Moeder] de keuze had uit twee opties: verhuur of verkoop. Aangezien [De Moeder] ervoor gekozen heeft het pand te verhuren aan [Appellante], komt de last weergegeven onder IIIb niet aan de orde.
8. Het hof stelt voorop dat het testament weliswaar voor zover mogelijk de voortzetting van de bedrijfsvoering van pension [Y] wil regelen, maar dat het eerste belang de zorg voor [De Moeder] is geweest. Uit de tekst van het testament blijkt dat de wensen en keuzes van [De Moeder] voorop staan. Verhuur is immers afhankelijk gesteld van [De Moeder]’s wens tot voortzetting van het bedrijf (“ingeval zij gaat wonen in mijn woning … en zij wil dat dit bedrijf wordt voortgezet”). Ook het aanbod aan [Appellante] het perceel te kopen is afhankelijk van [De Moeder]’s wens het perceel te verkopen (en daar dus niet te gaan wonen). Dit strookt met hetgeen blijkt uit de onder 2d weergegeven brief. Bij de uit het testament blijkende prioriteit van de zorg voor [De Moeder] boven de wens dat het pension wordt voortgezet past dat het aan [De Moeder] is na aanvaarding van de nalatenschap een keuze te maken tussen verhuur of verkoop van het pand met toebehoren. Zowel in geval de keuze van [De Moeder] valt op verhuur als in geval zij voor verkoop kiest, is het [Appellante] die, met het oog op de bedrijfsvoortzetting van het pension, de eerste rechten heeft.
Uit de structuur en de formulering van de onder III weergegeven wilsbeschikking volgt niet alleen dat het aan [De Moeder] is een keuze te maken tussen verhuur of verkoop (“Indien mijn moeder mijn nalatenschap aanvaardt is het mijn wens: a.ingeval zij gaat wonen in mijn woning (…); b. ingeval zij de woning geheel of gedeeltelijk wenst te vervreemden, …”), maar ook dat het gaat om een te maken keuze na aanvaarding van de nalatenschap. Uit de tekst van het testament volgt niet dat het gaat om twee cumulatieve lasten/wensen van voortdurende aard.
9. Dit brengt mee dat waar [De Moeder] in 1998 een keuze heeft gemaakt door met [Appellante] een huurovereenkomst aan te gaan, waarin overigens ook voorzien is in een recht van eerste koop als omschreven in art. 15 van die overeenkomst, [De Moeder] in ieder geval sedert het onherroepelijk worden van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter niet meer uit hoofde van dit testament of uit hoofde van de huurovereenkomst gehouden is het perceel als eerste aan [Appellante] aan te bieden tegen 80% van de prijs. De verklaring van [Z] leidt niet tot een ander oordeel, gezien de tekst van het testament en de door [De Dochter] zelf opgestelde brief, zie 2d. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [Appellante] inzake het voornemen van [De Moeder] het perceel te verkopen, nu dit niet relevant is voor de te nemen beslissing. Vast staat immers dat het perceel tot op heden niet verkocht is, terwijl het [De Moeder] inmiddels vrij staat het perceel te verkopen aan wie zij wil zonder het eerst aan [Appellante] aan te bieden.
10. De grief faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [Appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [De Moeder] in hoger beroep.
Beslissing
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [Appellante] in de proceskosten van [De Moeder] in hoger beroep, tot op heden begroot op
€ 296,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris voor de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.W.H.E. Schmitz, H.P.Ch. van Dijk en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2008 in aanwezigheid van de griffier.