
Jurisprudentie
BF1234
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/287 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/287 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Eerst in beroep en hoger beroep toereikende arbeidskundige onderbouwing gegeven. Bijzondere belastingen.
Uitspraak
07/287 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 december 2006, 06/2191 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 30 maart 2007 ingediend.
Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de Raad heeft het Uwv nadere rapporten van bezwaarverzekeringsarts Admiraal van 20 juni 2008 en van bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 24 juni 2008 ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellante is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Drykoningen voornoemd. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
2. Bij besluit van 27 april 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 augustus 2005 gegrond verklaard en de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 29 mei 2006 ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische grondslag waarop dat besluit berust, stand kan houden. De medische gegevens die zich in het dossier bevinden, bevatten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige in twijfel te trekken. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat de arbeidskundige beoordeling voldoende inzichtelijk is gemaakt, met name door de motivering in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 maart 2006 en 5 juli 2006. Het Uwv heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de voorgehouden functies voor appellante terecht geschikt zijn geacht. Gelet op de mediane loonwaarde van die functies acht de rechtbank het oordeel dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is, juist.
4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet in staat is haar rechterhand- en pols een volledige werkdag te gebruiken. In de geduide functies wordt de belastbaarheid van de rechterhand- en pols zowel op afzonderlijke belastingpunten als door de cumulatie van belastingpunten overschreden, waardoor zij de functies niet kan uitoefenen.
5.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroep gaat het in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het besluit van 27 april 2006 in rechte stand kan houden.
5.2.1 De Raad heeft geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben appellante lichamelijk onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante, ontvangen bij de brief van 28 januari 2006, waarbij onder meer brieven zijn gevoegd van behandelend specialisten. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek aan de rechterpols van appellante geringe alzijdige bewegingsbeperkingen en een verminderde knijpkracht geconstateerd. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat in de door de verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 27 juli 2005 appellante op diverse aspecten fors wordt ontzien qua polsbelasting rechts, wat strookt met de bevindingen bij het onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft de primaire medische beoordeling - zoals vastgelegd in de FML -, dan ook gevolgd.
5.2.2. Blijkens de FML wordt appellante onder meer beperkt geacht voor trillingen aan de rechterhand- en arm (item 3.8.1), langdurige of zware knijpkracht van de rechterhand (item 4.3.6), toetsenbord bedienen en muis hanteren (item 4.5.1) en voor kracht bij schroefbewegingen met de rechterhand- en arm (item 4.7.1).
5.2.3. Gelet op het uitgebreide onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts en op de in de FML vastgelegde beperkingen van de rechterhand- en pols, heeft de Raad geen aanleiding gevonden voor het standpunt van appellante dat ten tijde hier in geding haar belastbaarheid is overschat. De beschikbare medische gegevens bieden voor de opvatting van appellante dat zij haar rechterhand- en pols niet gedurende een hele werkdag kan gebruiken, geen steun. Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep niet onderbouwd met nadere medische gegevens.
5.3.1. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.
5.3.2. Met het rapport van 23 maart 2006 dat de bezwaararbeidsdeskundige in bezwaar heeft uitgebracht, het aanvullend in beroep ingebrachte rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 juli 2006 en de op verzoek van de Raad ingediende rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 20 juni 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 juni 2008, is naar het oordeel van Raad afdoende gemotiveerd dat de voorgehouden functies, wat betreft de daaraan verbonden belasting, binnen de mogelijkheden van appellante blijven.
5.3.3. Nu het bestreden besluit evenwel eerst met de in beroep en in hoger beroep ingediende rapporten geacht kan worden op een deugdelijke arbeidskundige grondslag te berusten, ziet de Raad aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak moet eveneens worden vernietigd.
5.3.4. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor haar standpunt dat zij niet in staat is de voorgehouden functies, te weten de functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur, produktiemedewerker industrie en produktiemedewerker textiel, geen kleding, te verrichten. De Raad overweegt daartoe als volgt.
5.3.5. De Raad merkt op dat ten aanzien van de belastingitems 4.3.3, 4.3.5, 4.3.8 en 4.4.0 in de voorgehouden functies geldt dat in de FML op deze items geen beperkingen ten opzichte van de normaalwaarden zijn vastgesteld. Voorts zijn op het Resultaat functiebeoordeling bij deze items geen signaleringen vermeld. Waar in de voorgehouden functies op deze items bijzondere belastingen voorkomen, houdt dit niet per definitie in dat de normaalwaarden mogelijk worden overschreden (zie de uitspraak van de Raad van 1 februari 2008, LJN: BC3237). Ten aanzien van het item 4.14.2 (tillen) in de FML is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 juni 2008 voldoende gemotiveerd dat de belastbaarheid op dit item in de voorgehouden functies produktiemedewerker industrie en produktiemedewerker textiel, geen kleding, niet wordt overschreden. Voor het standpunt van appellante dat de duur van de belasting en de cumulatie van belastingen van de rechterhand in de voorgehouden functies een overschrijding van de belastbaarheid vormen, ziet de Raad geen grondslag. Appellante heeft niet onderbouwd op welke items in de voorgehouden functies de belastingduur van de rechterhand de FML overschrijdt. Voorts is in de FML geen beperking vastgelegd voor het verrichten van meerdere handbelastingen op een normale werkdag.
5.3.6. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat de voorgehouden functies voor appellante geschikt zijn te achten.
5.3.7. De Raad ziet daarom aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb, in stand te laten.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand in beroep begroot op € 644,- en in hoger beroep op € 644,-, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) J. Riphagen.
(get.) W.R. de Vries.
JL