
Jurisprudentie
BF1231
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6042 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6042 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Pas in hoger beroep alle signaleringen bij de functies toereikend toegelicht.
Uitspraak
06/6042 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 september 2006, 06/323-ZWI (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Hanenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift met als bijlagen nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans van 22 mei 2007 en de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 6 juni 2007 ingediend.
Nadien heeft het Uwv bij brief van 17 augustus 2007 een nadere reactie ingediend, met als bijlagen een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 augustus 2007 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt van 17 augustus 2007.
Op verzoek van de Raad heeft het Uwv een nader rapport van bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt van 25 maart 2008 ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Hanenberg. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als bloembollenplantster/aardbeienplukster en is op 9 oktober 1997 voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens klachten aan de linkerschouder en wegens angstklachten, ontstaan na een arbeidsongeval.
1.2. Na de wettelijke wachttijd is appellante met ingang van 8 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 24 mei 2005 onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Colijn. In zijn rapport van 31 mei 2005 heeft Colijn geconcludeerd dat appellante in staat is tot fysiek niet zwaar, rugsparend werk en tot werk waarbij geen sprake is van specifiek stresserende omstandigheden. De bevindingen van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vastgelegd in een FML van 31 mei 2005. Op basis hiervan heeft de registerarbeidsdeskundige L. Kouwenhoven de functies papierwarenmaker, dozenmaker, kartonnagemedewerker (sbc-code 268040), produktiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en produktiemedewerker papier, karton, drukkerij (sbc-code 111174) geselecteerd. Aan de hand van hetgeen appellante met voornoemde functies kan verdienen heeft Kouwenhoven de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. Hierna werd bij besluit van
16 juni 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 augustus 2005 ingetrokken.
2. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe heeft in het rapport van 28 november 2005 de beschikbare medische gegevens gewogen en geen aanleiding gezien om af te wijken van het oordeel van Colijn. De bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt heeft in zijn rapport van 12 december 2005 de belasting in de geselecteerde functies toegelicht en heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld blijft op minder dan 15%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 juni 2005 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat hetgeen in beroep is aangevoerd geen reden geeft het medisch oordeel voor onjuist te houden. De in beroep overgelegde informatie is dermate algemeen en niet toegespitst op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts dat hieruit niet valt af te leiden dat appellante dusdanig beperkt is dat zij de geduide functies niet zou kunnen uitoefenen. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de belasting in de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.
4. In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure genoemde bezwaren in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat appellante niet alleen op straat durft te gaan, dat zij bang is voor onvoorspelbare contacten met onbekenden en voor verkeersdeelname. Hierdoor is appellante niet goed in staat om te reizen en te werken. Voorts heeft appellante in hoger beroep aangevoerd dat het gebruik maken van een vervoersvoorziening zoals de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 14 juli 2006 heeft aangegeven, gelet op de angstklachten van appellante geen adequate oplossing is. Daarnaast is bij het duiden van functies geen rekening gehouden met de beschikbaarheid van werk in de directe woonomgeving, om zo het reizen tot een minimum te beperken.
5.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts heeft reeds tijdens de procedure bij de rechtbank in zijn rapporten van 8 februari 2006 en 14 juli 2006 gemotiveerd aangegeven dat uit de brieven van de arts C. van den Broek van GGZ Europoort van 27 december 2005 en van 27 januari 2006, die appellante in beroep had overgelegd, en uit het dossier, niet valt af te leiden dat appellante last heeft van een ernstige vorm van straatvrees. Naar aanleiding van het hoger beroep is door de bezwaarverzekeringsarts Huijsmans in het rapport van 22 mei 2007 nader toegelicht dat de door appellante gestelde ernst van haar klachten in tegenspraak is met haar activiteiten zoals die zijn beschreven in de rapporten van de verzekeringsarts van 31 mei 2005 en de arbeidsdeskundige van 14 juni 2005. Appellante heeft voor haar stelling dat zij meer beperkt is vanwege haar angstklachten geen nadere medische onderbouwing gegeven en met name ook geen onderbouwing die verder reikt dan voormelde brieven van GGZ. De Raad ziet daarom in het hoger beroep geen aanknopingspunten om af te wijken van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag.
5.2.1. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.
5.2.2. Naar aanleiding van de grief dat bij de functieduiding geen rekening is gehouden met de beschikbaarheid van werk in de directe woonomgeving van appellante, heeft de bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt in zijn rapport van 6 juni 2007 een toelichting gegeven. Van Mastrigt heeft op grond van de medische beoordeling geconstateerd dat er geen bijzondere eisen worden gesteld aan de wijze van vervoer, zodat er geen medische noodzaak is om rekening te houden met de beschikbaarheid van de functies in de directe woonomgeving van appellante. De Raad kan zich in deze toelichting vinden.
5.2.3. Blijkens het zogeheten Resultaat functiebeoordeling zijn bij de items reiken (4.9) en kortcyclisch buigen (4.11) in de functie produktiemedewerker papier, karton, drukkerij (sbc-code 111174), signaleringen weergegeven. In de FML zijn bij deze items beperkende toelichtingen vermeld. De Raad is van oordeel dat de signaleringen bij deze items in de rapporten van de arbeidskundige van 14 juni 2005 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 december 2005 onvoldoende zijn toegelicht. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv met het rapport van bezwaararbeidsdeskundige
Van Mastrigt van 25 maart 2008 alsnog een nadere toelichting gegeven op de signaleringen bij de items reiken en kortcyclisch buigen in de functie produktiemedewerker papier, karton, drukkerij.
5.2.4. Mede gelet op deze nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige is de Raad van oordeel dat de geduide functies in medisch opzicht terecht geschikt zijn geacht. De Raad is evenwel van oordeel dat pas in hoger beroep alle signaleringen bij de functies zijn toegelicht op een wijze die voldoet aan de door de Raad gestelde eisen. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering dient te worden vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit kunnen echter naar het oordeel van de Raad, gelet op het vorenstaande, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand worden gelaten.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaaal € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) J. Riphagen.
(get.) W.R. de Vries.
JL