
Jurisprudentie
BF1230
Datum uitspraak2008-07-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.005.838/01, C06/1627 (oud)
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.005.838/01, C06/1627 (oud)
Statusgepubliceerd
Indicatie
redelijkheid verzoek tot het stellen van extra zekerheden bij uitbreiding krediet
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.005.838/01
Rolnummer (oud) : 06/1627
Rolnummer rechtbank : 49692/HA ZA 05-494
arrest van de derde civiele kamer d.d. 17 juli 2008
inzake
L.C.N. HOLDING B.V.,
gevestigd te Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland,
appellante,
hierna te noemen: LCN,
procureur: mr. W. Heemskerk,
tegen
de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK SCHOUWEN-DUIVELAND U.A.,
gevestigd te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de bank,
procureur: mr. H.J.A. Knijff .
Het geding
Bij exploot van 3 oktober 2006 is LCN in hoger beroep gekomen van het op 16 augustus 2006 door de rechtbank Middelburg tussen partijen gewezen vonnis. Bij memorie van grieven met productie heeft LCN vier grieven tegen dit vonnis aangevoerd, die door de bank bij memorie van antwoord zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. De door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.3 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat daarvan zal worden uitgegaan.
2. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
In 1996 bracht LCN haar bankzaken en die van haar dochter Louis Verburg Holding B.V. onder bij de bank. In 2004 is een einde gekomen aan deze relatie en is LCN bij een andere bank gaan bankieren. De bank heeft LCN een bedrag van € 29.933,09 in rekening gebracht op basis van art. 25 van de in 2.1 van de vaststaande feiten bedoelde Algemene voorwaarden voor zakelijke dienstverlening van de Raboorganisatie 2000. LCN heeft dit bedrag onder protest voldaan en vordert dit thans terug. De grieven tegen de afwijzing van deze vordering door de rechtbank lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3. LCN stelt dat de relatie vanaf het begin moeizaam verliep en dat zij als kredietnemer door de bank tot vervroegde aflossing van de op 8 december 2000 aangegane lening is gedwongen, omdat aan LCN op onaanvaardbare gronden belangrijke faciliteiten zijn onthouden dan wel slechts zijn verstrekt tegen excessieve voorwaarden. De bank heeft misbruik gemaakt van haar positie als huisbankier door LCN feitelijk te dwingen haar heil bij een andere bank te zoeken, zie memorie van grieven randnummers 11, 16 en 17.
Indien en voorzover LCN hiermee een beroep doet op misbruik van omstandigheden, art. 3:44 lid 4 BW, faalt dit op grond van het volgende.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat de bank in de periode april-juni 2004 heeft bevorderd dat LCN de bankrelatie heeft beëindigd, terwijl evenmin bijzondere omstandigheden in de zin van genoemd artikellid aan de zijde van LCN gesteld zijn. Dat de relatie reeds voordien stroef verliep en wensen van LCN niet of op moeilijke wijze werden ingewilligd, leidt niet tot een ander oordeel.
4. LCN stelt dat de bank zich jegens LCN niet in overeenstemming met de ingevolge art. 6:2 en 6:248 BW geldende eisen van redelijkheid en billijkheid heeft gedragen. LCN werd door de bank gedwongen de bankrelatie te beëindigen, omdat LCN haar onderneming bij voortzetting van de relatie met de bank niet verantwoord zou kunnen exploiteren. De kredietaanvraag van LCN d.d. 6 april 2004 is niet beoordeeld naar gangbare bancaire normen, aldus LCN.
Deze stelling wordt verworpen.
Tussen partijen is niet in geschil dat LCN altijd aan haar contractuele verplichtingen heeft voldaan en nimmer ongereguleerde overstanden heeft laten ontstaan.
Voor het overige beoordelen partijen ieder de financiële situatie van LCN en Louis Verburg B.V. geheel anders. Blijkens de brief van 19 september 2002 van Rabobank Nederland, Directoraat Kredietrisicomanagement, productie II bij conclusie van antwoord, was deze centrale afdeling van de bank van oordeel dat de rendementsperspectieven van het bedrijf te onzeker zijn, aangezien de daaraan voorafgaande twee jaren verliesgevend waren en er sprake was van een negatieve trend in de ontwikkeling van de brutowinst en het bedrijfsresultaat. Ook werd geoordeeld dat het bancair aansprakelijk vermogen onvoldoende was. Er wordt melding gemaakt van verslechterende balansverhoudingen en verliesgevende exploitatie. De centrale afdeling van de bank geeft aan dat, ook al wordt de financiering niet uitgebreid, er wellicht aanleiding is om aanvullende voorwaarden te bespreken. De bank stelt dat deze taxatie van de financiële situatie van LCN niet gewijzigd is. Volgens dhr. [X], accountant van LCN, daarentegen was er door de jaren heen voldoende solvabiliteit. De bestuurders van LCN hadden in privé in aanmerkelijke zin geïnvesteerd. Er was sprake van een aanmerkelijke overdekking op de financiering van de bank, mede in verband met stille reserves en overwaarde in onroerende zaken. Verliezen van LCN en Louis Verburg B.V. werden in privé gedragen, zie conclusie van repliek randnummer 7.
De onderliggende financiële gegevens zijn niet overgelegd. Hetgeen LCN aanvoert, staat er op zich niet aan in de weg de dat de bank in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat de exploitatie van het bedrijf van LCN financieel onzeker was. Ook LCN geeft immers aan dat er verliezen waren. De mate waarin de bestuurders van LCN in het bedrijf geïnvesteerd hadden en de omstandigheid dat zij de verliezen in privé gedragen hadden, doen daar niet aan af.
De kredietaanvraag d.d. 6 april 2004 betrof het verzoek de kredietruimte voor de duur van drie maanden te verruimen voor een bedrag van € 350.000,--, onder handhaving van de bestaande financiering. De bank was hiertoe op 7 mei 2004 bereid mits LCN en de bestuurders van LCN in privé een borgtocht zouden afgeven van € 350.000,-- voor al hetgeen de bank uit welke hoofde te vorderen had, zonder beperking ten aanzien van de tijdsduur. Bij brief van 8 juni 2004 heeft de bank deze eis aldus beperkt dat deze alleen zou gelden voor de nieuwe financiering en zou vervallen na afbetaling van het verschuldigde. Tussen partijen staat vast dat er op dat moment geen door de bestuurders van LCN aan de bank verstrekte privé-zekerheden waren. Gezien de visie van de bank op de financiële situatie van LCN en Louis Verburg B.V. stond het de bank in de omstandigheden van dit geval vrij aanvullende zekerheden te verlangen. Zonder nadere concrete toelichting over wat de gangbare bancaire normen in een geval als dit meebrengen, kan niet worden aangenomen dat het stellen van deze voorwaarde excessief is. Dat LCN altijd aan haar contractuele verplichtingen heeft voldaan en nimmer ongereguleerde overstanden heeft laten ontstaan, doet daar niet aan af, aangezien dit los staat van de visie van de bank op de financieel onzekere exploitatie van het bedrijf van LCN. Niet kan worden aangenomen dat het stellen van deze voorwaarde inzake de extra zekerheden zijdens de bank onzorgvuldig was dan wel strijd opleverde met de tussen partijen geldende maatstaven van redelijkheid en billijkheid doordat de belangen van (de bestuurders van) LCN niet of onvoldoende zijn meegewogen.
LCN laat na te specificeren wat de gangbare bancaire normen in een situatie als de onderhavige zouden meebrengen en waarom het vragen van een borgtocht in privé in de omstandigheden van dit geval gezien die normen onredelijk zou zijn. De enkele omstandigheid dat de bestuurders van LCN er niet voor voelen om in privé een al dan niet beperkte borgtocht af te geven is onvoldoende om aan te nemen dat de kredietaanvraag d.d. 6 april 2004 niet is beoordeeld naar gangbare bancaire normen.
5. De verschuldigdheid van het bedrag van € 29.933,09 is gebaseerd op artikel 25 aanhef en onder c van de Algemene Voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000. Dit artikel houdt voor zover van belang in:
“Voorzover overeengekomen is dat de rente gedurende een bepaalde periode vast is (rentevast-periode), gelden verder de volgende bepalingen:
a. De rente zal gedurende de rentevast-periode door de bank niet worden gewijzigd.
b. De geldlening is gedurende de rentevast-periode niet opeisbaar, behoudens in de gevallen van onmiddellijke opeisbaarheid als in artikel 16 vermeld.
c. Vervroegde aflossing is altijd geoorloofd. (…) Bij vervroegde aflossing is de debiteur een vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding is gelijk aan het verschil tussen de door de debiteur verschuldigde rente en de vergelijkingsrente, berekend over het vervroegd af te lossen bedrag over de periode vanaf het moment van de vervroegde aflossing tot en met de laatste dag van de rentevast periode, waarbij rekening zal worden gehouden met de aflossingen die de bank in die periode zou hebben ontvangen op basis van het met de debiteur overeengekomen aflossingsschema. Het berekende bedrag wordt contant gemaakt op basis van de op de interbancaire markt geldende tarieven en op een door de bank te bepalen wijze. (…) De vergoeding moet worden betaald tegelijk met de voldoening van het vervroegd af te lossen bedrag. Onder vergelijkingsrente wordt in dit artikel verstaan de rente, die de bank zou ontvangen over een bedrag, gelijk aan het bedrag van de vervroegde aflossing, indien zij dat bedrag op het moment van de vervroegde aflossing zou uitzetten op de interbancaire markt voor een periode die gelijk is aan het restant van de rentevast-periode van de geldlening op het moment van de vervroegde aflossing. De bank zal het bedrag van de vergoeding schriftelijk aan de debiteur meedelen.…”
6. LCN betoogt dat dit artikel dient te worden vernietigd wegens de onredelijke bezwarendheid daarvan voor LCN. In dat kader is het volgende van belang.
LCN is geen particulier/consument, maar voert een bedrijf. LCN bankiert bij de bank sedert 1996. In het kader daarvan heeft de bank aan LCN een lening verstrekt van ƒ 1.500.000,-- op de door partijen op 8 december 2000 ondertekende schuldbekentenis vermelde voorwaarden, waarvan de genoemde Algemene Voorwaarden voor de zakelijke geldlening van de Rabobankorganisatie 2000 deel uitmaken. Naar het hof begrijpt is over de inhoud van deze voorwaarden in de periode voorafgaand aan 8 december 2000 niet onderhandeld tussen partijen. Bedoeld artikel brengt mee dat in geval van opzegging van de overeenkomst in de zogeheten rentevaste periode de debiteur een vergoeding aan de bank verschuldigd is. In dat geval zijn door de bank immers kosten gemaakt voor de duur van de rentevaste periode en wordt ook winst gederfd, zie hierna. Art. 6:237 sub i BW ziet niet op deze situatie, de zogeheten reflex-werking van deze norm is niet aan de orde.
LCN is niet door de bank gedwongen tot aflossing van de lening over te gaan, zie hiervoor. De aflossing van de lening in juni 2004 vond plaats in de rentevaste-periode, waarin opzegging tot aanspraak van de bank op vergoedingsrente leidt. Voorafgaand aan de opzegging van deze lening was LCN op de hoogte van het bedrag aan rente dat door de bank gevorderd werd, zie de brief van 1 juni 2004, waarin bedoeld bedrag vermeld is.
Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat artikel 25 onredelijk bezwarend is voor LCN.
Het hof verwerpt de stelling van LCN dat zij zich er niet van bewust is geweest dat zij bij vervroegde aflossing een bedrag aan de bank diende te betalen. Bij brief van 1 juni 2004 is LCN immers een brief gezonden door de bank met daarbij de aflossingsnota, waarin het aan vergoedingsrente verschuldigde bedrag exact vermeld is. Op dat moment had LCN de relatie met de bank nog niet opgezegd.
7. Het hof verwerpt de stelling dat het bedrag van € 29.933,09 op grond van de billijkheid ingevolge art. 6:94 BW gematigd dient te worden. Artikel 25 betreft geen boetebeding in de zin van art. 6:91 BW. De verschuldigdheid van de vergoedingsrente is niet het gevolg van een tekortkoming in de nakoming door LCN. Mitsdien mist art. 6:94 BW toepassing.
8. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering van LCN met recht is afgewezen. De grieven falen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. LCN zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de bank in hoger beroep.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van LCN, aangezien hetgeen zij te bewijzen aanbiedt niet relevant is voor de te nemen beslissing.
Beslissing
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt LCN in de proceskosten van de bank in hoger beroep, tot op heden begroot op
€ 900,-- aan verschotten en op € 1.158,-- aan salaris voor de procureur;
verklaart dit arrest wat de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.W.H.E. Schmitz, R. van der Vlist en A.G. Beets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2008 in aanwezigheid van de griffier.