Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1228

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2003 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering ziekengeld. Voldoende medische grondslag.


Uitspraak

07/2003 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 februari 2007, 05/2236 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.M.E.C. Breij, advocaat te Hulsberg, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.J.F. Pruden. II. OVERWEGINGEN 1. Appellante is vanaf 1 mei 2004 gedurende circa 20 uur per week werkzaam geweest als kamermeisje in een hotel op basis van een arbeidsovereenkomst voor vijf maanden. Op 17 augustus 2004 heeft appellante zich ziek gemeld in verband met maagklachten. Nadat de dienstbetrekking op 30 september 2004 was geƫindigd is aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend. Verzekeringsarts M.C.T.E. Luwel heeft appellante laatstelijk op 27 juni 2005 op het spreekuur gezien. Deze arts is op basis van de eigen bevindingen en de beschikbare informatie van huisarts H.J.C.M. Seegers en internist dr. C.T.B.M. van Deursen tot de conclusie gekomen dat appellante weer geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid. Bij besluit van 12 juli 2005 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 28 juni 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld. Bij besluit van 22 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2005 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns, die appellante op 21 september 2005 heeft onderzocht en daarbij tot de conclusie is gekomen dat appellante, ondanks de door haar ervaren klachten, zonder meer in staat moet worden geacht eenvoudige werkzaamheden te verrichten, waaronder haar maatgevende part-time arbeid. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat een uitgevoerde gastroscopie heeft uitgewezen dat zij kampt met een erosieve antrumgastritis. Voor deze aandoening is medicatie voorgeschreven die echter niet aanslaat. Naar de mening van appellante had de (bezwaar)verzekeringsarts een nieuwe scopie moeten laten uitvoeren alvorens tot de conclusie te kunnen komen dat geen sprake was van objectieve medische klachten. Gezien de voorhanden zijnde medische informatie en de objectieve medische klachten was het op dat moment niet aan de verzekeringsarts om te bepalen dat zij haar arbeid weer kon verrichten. Verder is naar de mening van appellante geen correct onderzoek verricht naar haar psychische klachten en had derhalve niet geconcludeerd kunnen worden dat geen sprake was van een depressie. Appellante heeft de Raad verzocht haar in de gelegenheid te stellen nadere informatie van de psycholoog en internist, die haar vanaf medio mei 2007 behandelen, in het geding te brengen. 4.1. De Raad heeft in de grieven die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan de rechtbank. De verzekeringsarts is tijdens het onderzoek op het spreekuur van 27 juni 2005, mede op basis van de bevindingen van de op 15 februari 2005 uitgevoerde oesofago-gastro-duodenoscopie, tot de conclusie gekomen dat de maagklachten niet zodanig waren dat appellante haar arbeid niet zou kunnen verrichten. Verder heeft deze arts geoordeeld dat appellante in verband met problemen als gevolg van een schuldsanering heel begrijpelijke stressklachten heeft, maar dat die klachten geen beletsel vormden om de arbeid te verrichten. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de verzekeringsarts de lichamelijke en psychische klachten van appellante niet heeft onderkend en die klachten niet heeft meegewogen in zijn oordeel. De bezwaarverzekeringsarts is na lichamelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat de bevindingen zeer aspecifiek zijn en er sprake is van een aanzienlijke discrepantie tussen de aangetroffen feitelijke afwijkingen en het door appellante als zodanig beleefde en gepresenteerde onvermogen. 4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het tijdens de procedure in eerste aanleg ingezonden huisartsjournaal over de jaren 1988 tot en met 2006 geen afwijkende gegevens bevat. Hoewel appellante stelt dat de voorgeschreven medicatie in verband met de maagklachten geen effect had, kan uit het journaal niet worden afgeleid dat aan appellante andere medicijnen zijn voorgeschreven. Voorts kan de Raad het standpunt van appellante dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een nieuwe scopie hadden moeten laten uitvoeren niet onderschrijven, omdat er geen aanwijzingen bestonden dat de bevindingen van de op 15 februari 2005 uitgevoerde scopie ten tijde van het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts niet langer actueel waren. Evenmin bieden de gedingstukken steun voor de opvatting van appellante dat haar psychische klachten onvoldoende zijn onderkend. Uit het enkele gegeven dat de huisarts appellante op 29 januari 2007 naar een psycholoog heeft verwezen kan niet worden afgeleid dat de psychische gesteldheid van appellante op de datum hier in geding, 28 juni 2005, onjuist is beoordeeld. Hoewel appellante in het beroepschrift heeft aangekondigd recente gegevens van de behandelend internist en psycholoog te overleggen heeft zij ook in hoger beroep geen medische informatie ingebracht ter ondersteuning van haar standpunt. 4.3. De Raad is derhalve van oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit de weigering van ziekengeld met ingang van 28 juni 2005 terecht heeft gehandhaafd, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) J.F. Bandringa. (get.) P. van der Wal. JL