
Jurisprudentie
BF1223
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/259 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/259 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen recht meer op ziekengeld. Als “zijn arbeid” moet worden aangemerkt elk van de functies die zijn voorgehouden in het kader van de WAO-beoordeling.
Uitspraak
07/259 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 december 2006, 06/2131 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is werkzaam geweest als lasser. Op 13 november 2000 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens als RSI aangeduide klachten aan de rechterarm en -schouder. In aansluiting op de toenmalige wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 25 december 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2. Per 23 augustus 2004 heeft appellant zich ziek gemeld wegens hoofdpijnklachten en een hoge bloeddruk. Op 20 september 2005 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts A.H. Hasan. Deze heeft gerapporteerd dat geen psychopathologie kon worden geconstateerd en dat bij het verrichte lichamelijk onderzoek evenmin relevante pathologische bevindingen konden worden vastgesteld. Hasan is tot de conclusie gekomen dat appellant weer geschikt was voor het door hem voorheen verrichte werk van lasser. Bij besluit van 21 september 2005 is aan appellant meegedeeld dat met ingang van 20 september 2005 geen recht meer bestaat op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.3. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie appellant onderzocht en aanvullende medische informatie ingewonnen bij de behandelend chirurg H.A.P.A. de Geus en de huisarts J.A.C. Gloudemans. Op 17 januari 2006 en
10 maart 2006 heeft Debie rapporten uitgebracht. Hierin is vermeld dat de primaire verzekeringsarts ten onrechte heeft aangenomen dat het door appellant verrichte werk van lasser de maatgevende arbeid vormt. Volgens Debie moeten de functies die aan appellant in het kader van de laatste WAO-beoordeling zijn voorgehouden als maatgevende arbeid worden aangemerkt. Debie is op basis van de beschikbare medische informatie tot de conclusie gekomen dat appellant op 20 september 2005 ook voor deze functies geschikt was. Bij besluit van 21 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe in de eerste plaats overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts van een juiste maatstaf arbeid is uitgegaan. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien voor twijfel aan het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellant niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid.
3.1. In hoger beroep heeft appellant, evenals in eerste aanleg, naar voren gebracht dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij een verklaring ingebracht van zijn behandelend psychiater-psychotherapeut J.P.M. Gerards van 13 februari 2007.
3.2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een ingebracht rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 19 maart 2007, aangegeven dat de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische verklaring geen aanleiding geeft voor een ander standpunt en heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde, na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Deze concretisering in het kader van de WAO houdt in dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht. Gelet hierop dient onder “zijn arbeid” te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Het voorgaande betekent in het onderhavige geval dat als “zijn arbeid” moet worden aangemerkt elk van de functies die aan appellant zijn voorgehouden in het kader van de WAO-beoordeling per 25 december 2003. De bezwaarverzekeringsarts en de rechtbank zijn dan ook van een juiste maatstaf arbeid uitgegaan.
4.2. Appellant is in het kader van de onderhavige ZW-beoordeling zowel onderzocht door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts. Voorts is de beschikbare informatie uit de behandelend sector meegewogen. De Raad is van oordeel dat het aldus verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.
De Raad ziet in de door appellant in hoger beroep ingebrachte verklaring van de behandelend psychiater-psychotherapeut Gerards onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie dat appellant niet meer ongeschikt was voor zijn arbeid. Hierbij overweegt de Raad dat de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij eigen onderzoek op respectievelijk 20 september 2005 en 15 november 2005 geen psychopathologie hebben kunnen vaststellen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in het hiervoor genoemde rapport van 19 maart 2007 uiteengezet dat de ingebrachte verklaring, gezien de al beschikbare medische informatie, geen nieuw licht werpt op de psychische toestand van appellant op 20 september 2005. Ook voor het overige heeft de Raad geen aanleiding gezien voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad is tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht heeft bepaald dat appellant met ingang van 20 september 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld.
4.3. Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) P. van der Wal.
JL