Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1211

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5443 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Heeft rechtbank bestreden besluit ten onrechte vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek? Eerst in hoger beroep toereikende arbeidskundige onderbouwing.


Uitspraak

06/5443 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 augustus 2006, 05/9393 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en appellant. Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde mr. T. Venneman, kantoorgenoot van mr. Cantarella voornoemd. II. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene ontving sinds 9 september 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Op basis van de bevindingen en conclusies van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek heeft appellant bij besluit van 17 augustus 2005 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 17 oktober 2005 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 november 2005 heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 21 november 2005, hierna: het bestreden besluit, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak en beslissingen gegeven over de vergoeding aan betrokkene van het betaalde griffierecht en gemaakte proceskosten. De rechtbank kwam tot dit oordeel omdat in haar ogen het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant zich bij het nemen van dat besluit niet uitsluitend had mogen baseren op in bezwaar slechts marginaal getoetste bevindingen van de primaire verzekeringsarts. Met name had (de bezwaarverzekeringsarts van) appellant niet mogen afzien van het inwinnen van nadere medische informatie met betrekking tot de psychische gesteldheid van betrokkene op de in geding zijnde datum. 3. Appellant heeft de juistheid van dit oordeel van de rechtbank betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de situatie, zoals die zich voordeed op het moment dat betrokkene voor het eerst is gezien door een verzekeringsarts van appellant, te weten op 28 juli 2000, in de loop der tijd verandering heeft ondergaan. Op evengenoemde datum was de verzekeringsarts, gelet op de psychische gesteldheid van betrokkene, van mening dat er sprake was van onvermogen tot adequaat persoonlijk en sociaal functioneren; betrokkene was op dat moment in afwachting van behandeling door Parnassia. Op 10 mei 2005 heeft opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgehad en de verzekeringsarts heeft op dat moment vastgesteld dat er wel beperkingen zijn, met name van lichamelijke aard, maar dat de psychische gesteldheid van betrokkene beduidend beter is dan bij de vorige beoordeling. De medische beperkingen van betrokkene heeft deze verzekeringsarts neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Deze verzekeringsarts heeft, aangezien anamnese, zijn onderzoeks- en observatiebevindingen en de reeds aanwezige medische gegevens voldoende zijn om tot conclusies te komen, afgezien van het opvragen van nadere medische informatie. Betrokkene heeft evenwel zelf medische informatie nagestuurd en deze informatie is door de verzekeringsarts gezien en heeft hem niet gebracht tot het oordeel dat de door hem opgestelde FML diende te worden aangepast. In bezwaar is betrokkene gehoord. Daarbij heeft betrokkene te kennen gegeven dat hij alleen naar de huisarts gaat en niet onder behandeling is van een psychiater of psycholoog. De bezwaarverzekeringsarts, die bij de hoorzitting aanwezig was, heeft geen nadere medische informatie opgevraagd, nu informatie van de huisarts aanwezig was, betrokkene in bezwaar geen nieuwe medische feiten en omstandigheden heeft ingebracht en betrokkene, op een daartoe strekkende vraag, ook niet kon aangeven bij wie die informatie zou moeten worden opgevraagd. Appellant stelt zich, onder verwijzing naar een nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 11 september 2006, op het standpunt dat er in 2005 voldoende aanwijzingen waren dat er geen sprake was van een depressie, nu uit het medisch overzicht en uit het huisartsjournaal blijkt dat er bij betrokkene in 2005 geen sprake was van psychische ziekte of van behandeling door een psychiater of psycholoog, dan wel van medicatie in verband met psychische klachten. Om deze redenen is appellant van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. 4.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. 4.2. Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek en hij stelt zich daarbij achter hetgeen appellant heeft aangevoerd ter onderbouwing van diens standpunt in hoger beroep. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, gaat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling om de vaststelling van de medische beperkingen van betrokkene op de datum in geding, welke vaststelling op zich voldoende zorgvuldig dient te geschieden en op een deugdelijke grondslag dient te zijn gebaseerd. Naar zijn oordeel zijn, gelet op de voorhanden medische gegevens, de medische beperkingen van betrokkene per de in geding zijnde datum van 17 oktober 2005 op voldoende zorgvuldige wijze vastgesteld. In de omstandigheden, zoals die zich in het voorliggende geval voordoen, ziet de Raad geen aanleiding om het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts, zoals dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onvoldoende zorgvuldig te achten omdat geen nadere medische informatie is opgevraagd. 4.3. Nu de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, zal de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, ingaan op de in beroep aangevoerde gronden. 4.4. De Raad is, gelet op de voorhanden medische gegevens, van oordeel dat de stelling van betrokkene dat zijn medische beperkingen bij het bestreden besluit zijn onderschat en dat hij met de bij hem bestaande beperkingen niet in staat is tot het verrichten van de aan hem voorgehouden functies niet kan standhouden. Dat betrokkene wegens psychische klachten meer beperkt zou moeten worden geacht dan bij het bestreden besluit is gedaan, wordt niet gesteund door medische gegevens en de Raad acht deze stelling van betrokkene dan ook niet voldoende aannemelijk gemaakt. Ook overigens ziet de Raad in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapportages. Voorts is de Raad, gelet op de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige, met name de rapportage van 17 juli 2006 van D.L.A. Politon, van oordeel dat voldoende is toegelicht en onderbouwd dat de aan betrokkene voorgehouden functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn te achten. Wel ziet de Raad in de omstandigheid dat deze toelichting en onderbouwing eerst in de fase van het beroep bij de rechtbank is gegeven, aanleiding om de gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank, de vernietiging van het bestreden besluit en de beslissingen ter zake van griffierecht en proceskosten in stand te laten en te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit geheel in stand blijven. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om met betrekking tot de fase van het hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. JL