Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1202

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1505 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Medische beperkingen onderschat? Geschiktheid geduide functies.


Uitspraak

06/1505 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2006, 05/1502 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden. Namens appellant zijn verklaringen ingezonden van diens huisarts en diens behandelend hematoloog, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd. Nadien is namens appellant gemeld dat in de verklaring van de huisarts een datum onjuist was vermeld. In reactie daarop heeft het Uwv nadere medische en arbeidskundige rapportages ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.B. Vogt. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 16 september 2004 heeft het Uwv appellants uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 november 2004 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv bij het bestreden besluit de ten aanzien van hem in aanmerking te nemen medische beperkingen heeft onderschat. Appellant is van mening dat hij, als gevolg van (de behandeling van) zijn ziekte leukemie in feite geen draagkracht meer heeft, doorlopend erg vermoeid is en psychische klachten heeft. Hij heeft daartoe gewezen op de verklaring van zijn behandelend hematoloog van 13 februari 2004, waarin deze heeft gesteld dat naar diens verwachting appellant pas na 1 jaar weer aan het arbeidsproces kan deelnemen, zij het niet in zwaar lichamelijk werk en met geleidelijke uitbreiding van de werkuren. Voorts heeft appellant, ter onderbouwing van zijn stelling, een nadere verklaring van deze hematoloog van 23 juni 2006 in het geding gebracht, alsmede een verklaring van zijn huisarts. Omdat in zijn ogen de beperkingen die voortvloeien uit (de behandeling van) zijn ziekte, alsook zijn psychische klachten zijn onderschat, heeft appellant de Raad verzocht om een deskundige te benoemen om alsnog zijn medische beperkingen vast te stellen. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de functies die hem door de arbeidsdeskundige zijn voorgehouden, niet door hem kunnen worden vervuld omdat deze zijn functionele mogelijkheden te boven gaan. 3.2. Het Uwv heeft aangegeven zich volledig te kunnen stellen achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Onder verwijzing naar de door hem in de hoger beroepsprocedure overgelegde rapportages van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer van 10 augustus 2006 en 15 september 2006 en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon van 27 september 2006 heeft het Uwv gesteld geen aanleiding te zien om van het door hem in het bestreden besluit neergelegde standpunt terug te komen. 4. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende. 4.1. De Raad ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat bij het bestreden besluit de medische beperkingen van appellant zijn onderschat. Hoewel de Raad in de voorhanden zijnde medische gegevens steun ziet voor de stelling van appellant dat hij op de in geding zijnde datum 10 november 2004 klachten ondervond als gevolg van (de behandeling van) zijn ziekte leukemie, alsook klachten van psychische aard, is de Raad er niet van overtuigd dat de beperkingen die uit deze klachten voortvloeien niet op juiste wijze door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsartsen zijn meegenomen en neergelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In de FML zijn immers beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Ook zijn in die FML, naast meerdere beperkingen ten aanzien van de rubrieken aanpassingen aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen, beperkingen aangenomen met betrekking tot de omvang van de werktijd. De stelling van appellant dat, ondanks al de aangenomen beperkingen, toch nog in onvoldoende mate is tegemoetgekomen aan zijn zeer beperkte draagkracht en grote vermoeidheid acht de Raad onvoldoende aannemelijk. De verklaring van de huisarts dat zich ten tijde in geding een beeld voordeed passende bij een depressie, te weten zwaarmoedigheid en een passieve indruk, acht de Raad daarvoor onvoldoende. Ook de verklaring van de hematoloog van 23 juni 2006 acht de Raad onvoldoende om aan te nemen dat de in die verklaring in algemene bewoordingen omschreven gevolgen van (de behandeling van) de ziekte van appellant zich bij appellant voordeden en wel in een zodanige omvang dat hij moet worden geacht meer beperkt te zijn dan bij het bestreden besluit is aangenomen. 4.2. Op grond van hetgeen de Raad heeft overwogen onder 4.1 ziet hij tevens geen aanleiding om het verzoek van appellant in te willigen om alsnog één of meer deskundigen te benoemen. 4.3. Ook de vraag of de geselecteerde, aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn te achten, beantwoordt de Raad met de rechtbank bevestigend. Hij vindt daarvoor voldoende steun in de rapportages van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundigen. Gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Politon, acht de Raad genoegzaam aannemelijk gemaakt dat in de aan appellant voorgehouden functies, die ten grondslag zijn gelegd aan de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, geen sprake is van bediening van gevaarlijke machines. De stelling van appellant dat deze functies wegens het zich voordoen van een persoonlijk risico niet aan hem konden worden voorgehouden, kan derhalve naar ’s-Raads oordeel geen stand houden. 4.4. Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant geen doel treft, zodat wordt beslist als hieronder is vermeld. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. TM