Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1195

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6453 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Kan maatmanfunctie in volle omvang vervuld worden?


Uitspraak

06/6453 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 oktober 2006, 06/274 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.G.S. ter Weijden, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift, voorzien van een medische en arbeidskundige rapportage, ingediend. Het Uwv heeft desgevraagd een medisch stuk ingezonden. Namens appellante zijn stukken van - voornamelijk - medische aard ingezonden, waarop namens het Uwv door een bezwaarverzekeringsarts is gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. ben Kaddour, kantoorgenoot van mr. Ter Weijden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 25 juli 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Namens appellante heeft mr. Ben Kaddour, voornoemd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 december 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 december 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er in haar ogen sprake is van een voldoende diepgaand en zorgvuldig medisch onderzoek en dat de uit dat onderzoek getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. Dat appellante, voorafgaande aan het nemen van het besluit van 30 mei 2005, twee keer door een verzekeringsgeneeskundige is beoordeeld, maakt die beoordeling niet onrechtmatig. Zowel de verzekeringsarts Dienske als de bezwaarverzekeringsarts Gouw achten, anders dan de verzekeringsarts Eken, een urenbeperking niet aangewezen. De rechtbank ziet geen reden de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Aan het gegeven dat appellante per 6 februari 2006 volledig is uitgevallen en (mogelijk) sindsdien volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, komt volgens de rechtbank geen beslissende betekenis toe, gelet op de latere datum dan in geding en de specifieke aanleiding voor die uitval. Voorts ziet de rechtbank, gelet op de gedingstukken, geen aanleiding aan te nemen dat de belasting in het eigen werk van appellante als commercieel medewerkster gedurende 36 uren per week niet valt binnen de in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangegeven belastbaarheid van appellante. 3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat er nimmer sprake is geweest van een verbetering van haar klachten en beperkingen. Appellante stelt dan ook dat zij niet in staat is om haar eigen werkzaamheden als commercieel medewerker bij een bank in volle omvang te verrichten op de datum in geding. Appellante acht zich ernstiger beperkt en de in de FML aangegeven belastbaarheid is derhalve haars inziens niet juist weergegeven. 4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats met betrekking tot het door appellantes gemachtigde op 5 augustus 2008 per fax aan de Raad toegezonden stuk van medische aard het volgende. In artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting stukken kunnen indienen. Appellantes gemachtigde heeft zich niet aan deze termijn gehouden. Nu het Uwv in zijn processuele belangen wordt geschaad doordat het niet op dit stuk kan reageren, ziet de Raad aanleiding dit bij zijn beoordeling van het geding buiten beschouwing te laten. 4.2. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.3. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met de stellingname van appellante in eerste aanleg, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. 4.4. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat door appellante (ook) in hoger beroep geen medische informatie is overgelegd die doet twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv bij appellante vastgestelde beperkingen. De namens appellante ingezonden informatie van prof. dr. K. De Meirleir, waarin deze tot een nieuwe diagnose bij appellante concludeert, en van de radioloog M.A.H. Ribbert, houdende een verslag betreffende een MRI-scan bij appellante, brengt de Raad niet tot een ander oordeel, nu deze geen betrekking heeft op de in geding zijnde datum. Overigens kan de stelling dat het Uwv van een onjuiste diagnose zou zijn uitgegaan al geen doel treffen, nu het bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid gaat om de vaststelling van eventuele beperkingen van een verzekerde en niet om de vraag welke diagnose als juist moet worden aangemerkt. 4.5. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld, staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellantes maatmanfunctie van commercieel medewerkster bij een bank in volle omvang voor haar in medisch opzicht haalbaar is te achten. De Raad acht van de zijde van het Uwv voldoende toegelicht dat die functie geen belasting kent die de belastbaarheid van appellante te boven gaat. 4.6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. RB