Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1191

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6730 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Beperkingen onderschat?


Uitspraak

06/6730 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2006, 06/2266 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift in geding gebracht. Het Uwv heeft nadien nog een rapport van bezwaararbeidsdeskundige F. Oudmaijer van 6 februari 2007 in geding gebracht. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 6 augustus 2008, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was werkzaam als medewerker rozenkwekerij toen hij zich op 11 oktober 1993 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van psychische klachten. Bij het einde van de wachttijd van 52 weken is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts E. Sint Nicolaas appellant op 25 augustus 2005 onderzocht en in zijn rapport van dezelfde datum aangegeven dat er beperkingen zijn ten gevolge van ziekte of gebrek. De verzekeringsarts heeft de voor appellant toepasselijke mogelijkheden en beperkingen vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 25 augustus 2005. Appellant wordt daarin beperkt geacht ten aanzien van de rubrieken Persoonlijk en Sociaal Functioneren en de rubriek Werktijden. Aan de hand van de FML en de arbeidsmogelijkhedenlijst van 19 december 2005 heeft de arbeidsdeskundige D.J. Vleggeert functies geselecteerd. In het door Vleggeert op 29 december 2005 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, het verlies aan verdiencapaciteit van appellant op 0% moet worden gesteld, zodat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het Uwv met ingang van 4 maart 2006 de WAO-uitkering van appellante beëindigd. 1.3. Bij besluit van 13 april 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 januari 2006 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe geconcludeerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest en dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden geeft de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit in twijfel te trekken. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt. 3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep beperkt tot het aanvechten van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant heeft daartoe zijn in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte bezwaar herhaald. Volgens appellant is het onbegrijpelijk waarom hij met ingang van 4 maart 2006 volledig arbeidsgeschikt wordt geacht, terwijl zijn psychische klachten gelijk zijn gebleven na de in het verleden verrichte WAO-beoordelingen, waarbij hij volledig arbeidsongeschikt werd geacht. 3.2. Van de zijde van het Uwv is in hoger beroep een nader rapport van bezwaararbeidsdeskundige Oudmaijer van 6 februari 2007 overgelegd. Daarin wordt geconcludeerd dat één van de geselecteerde functies niet geschikt is, maar dat er desondanks voldoende functies resteren en dat appellant per de datum in geding onveranderd minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. 4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij informatie van de huisarts en de Riagg is betrokken, zorgvuldig is geweest. Voorts blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 12 april 2006 voldoende inzichtelijk dat bij appellant geen sprake is van een ernstige psychiatrische ziekte. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, die reden kunnen geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Gelet op het voorgaande ziet de Raad in de enkele stelling van appellant dat zijn psychische klachten niet zijn gewijzigd ten opzichte van vorige WAO-beoordelingen, geen aanleiding om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant per de datum in geding is overschat. 4.2. Het hoger beroep treft dan ook geen doel. De aangevallen uitspraak komt, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. 5. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) J. Riphagen. (get.) W.R. de Vries. JL