Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1190

Datum uitspraak2008-08-29
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
ZaaknummersAR 210/2005 en H-292/2007
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het beroep op overmacht kan slechts slagen als aannemelijk is dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij heeft deelgenomen aan het verkeer rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt, waarbij eventuele fouten van andere weggebruikers- daaronder begrepen het slachtoffer zelf- alleen van belang zijn indien zij voor de bestuurder van het motorvoertuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Beroep hierop faalt in deze zaak. Bestuurder moest hier rekening houden met onoplettende, eventueel struikelende voetganger. Dat Medicare slecht voorwaardelijke vergoeding heeft gedaan moet worden bewezen voordat verzekeraar moet overgaan tot betaling.


Uitspraak

Zaaknummers: AR 210/2005 en H-292/2007 Datum uitspraak: 29 augustus 2008 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE van de NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA VONNIS in de zaak van de naamloze vennootschap NATIONAL GENERAL INSURANCE CORPORATION N.V., met gekozen woonplaats op Sint Maarten ten kantore van haar gemachtigde, voorheen gedaagde, thans appellante, verder ook te noemen Nagico, gemachtigde: de advocaat mr. R.F. Gibson jr., tegen [naam geïntimeerde], wonende te Maryland in de Verenigde Staten van Amerika en met gekozen woonplaats op Sint Maarten ten kantore van haar gemachtigde, voorheen eiseres, thans geïntimeerde, verder ook te noemen [geintimeerde], gemachtigden: de advocaten mrs. M.N. Hoeve en C. Marica. 1. Verloop van de procedure 1.1 Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (verder: het GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen gewezen vonnissen van 29 augustus 2006 (verder ook te noemen: het tussenvonnis) en 30 januari 2007 (verder ook te noemen: het eindvonnis). De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd. 1.2 Nagico is in hoger beroep gekomen van het eindvonnis door indiening van een akte van hoger beroep ter griffie van het GEA op 5 maart 2007. Zij heeft bij afzonderlijk ingediende memorie van grieven vier grieven aangevoerd en toegelicht, en gevorderd dat het Hof de uitspraken van het GEA zal vernietigen, met ontzegging van de vorderingen van [geintimeerde] en haar veroordeling in de proceskosten van beide instanties. [geintimeerde] heeft een memorie van antwoord ingediend waarin zij de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het eindvonnis, al dan niet met verbetering van gronden, met veroordeling van Nagico in de proceskosten van beide instanties (het Hof leest: van het hoger beroep). Op de nader voor pleidooi bepaalde datum hebben partijen pleitnota’s overgelegd en vonnis gevraagd. 1.3 De uitspraak van het vonnis in hoger beroep is nader bepaald op heden. 2. Ontvankelijkheid Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Nagico daarin kan worden ontvangen. 3. Grieven De grieven beogen, het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen en komen erop neer (grief 1) dat het GEA ten onrechte het beroep van Nagico op overmacht van haar verzekerde heeft verworpen en (grieven 2, 3 en 4) ten onrechte het verweer dat een gedeelte van de schade die [geintimeerde] stelt te hebben geleden door derden wordt vergoed, heeft verworpen. 4. Beoordeling 4.1 [geintimeerde] heeft het formele verweer gevoerd dat Nagico blijkens de akte van hoger beroep slechts hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis, niet (tevens) tegen het tussenvonnis waarin bindende eindbeslisingen zijn genomen, onder andere dat geen sprake is van overmacht van de bestuurder van de auto die [geintimeerde] heeft aangereden, [bestuurder]. Dit verweer wordt verworpen. Krachtens art. 269 Rv heeft het hoger beroep tegen het eindvonnis, tenzij bij de aantekening daarvan uitdrukkelijk het tegendeel is verlangd, ten gevolge dat de hogere rechter tevens kennis neemt van en oordeelt over het tussenvonnis. 4.2 Het GEA heeft in rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.4 van het tussenvonnis de feiten vastgesteld. Die vaststelling komt het Hof juist voor en er zijn geen grieven tegen gericht. Ook het Hof zal bij de beoordeling van die feiten uitgaan. 4.3 De eerste grief faalt. Het GEA heeft geoordeeld dat geen sprake is van overmacht (in de zin van art. 2 lid 1 van de Landsverordening van 20 april 1932 houdende eenige regelingen van burgerrechtelijken aard bij botsing, aan- of overrijding met motorrijtuigen en houdende regeling van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, verder ook te noemen: de Botsingenverordening) aan de zijde van [bestuurder]. Het beroep van de eigenaar of houder van een motorrijtuig, of diens aansprakelijkheidsverzekeraar, op overmacht kan slechts slagen als hij aannemelijk maakt dat aan de bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt, waarbij eventuele fouten van andere weggebruikers - daaronder begrepen het slachtoffer zelf - alleen van belang zijn indien zij voor de bestuurder van het motorvoertuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden (HR 17 november 2000, NJ 2001, 260). Het ongeval heeft plaatsgevonden in de Hendrickstraat ter hoogte van het etablissement “Kangaroo Court”. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit een zeer smalle weg is met verhoogde en in breedte gemeten zeer krappe trottoirs die voetgangers bijkans dwingen zich op de rijbaan te begeven, en waar zich overdag (het ongeval vond plaats omstreeks 16.00 uur) doorgaans veel voetgangers bevinden, voor het merendeel (buitenlandse) toeristen van wie de aandacht voor het wegverkeer gemakkelijk wordt afgeleid door winkeltjes aan de weg, die met name op toeristen zijn gericht. Een automobilist, zeker een automobilist die met de situatie ter plaatse bekend is, behoort zijn snelheid zodanig te regelen dat een aan- en overrijding van een onoplettende voetganger, zelfs wanneer deze onverwacht komt te struikelen, wordt voorkomen. Gezien voormelde omstandigheden heeft Nagico niet aannemelijk gemaakt dat [bestuurder] rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. 4.4 Nagico heeft geen verdere grieven gericht tegen de door het GEA aan de aansprakelijkheid van Nagico ten grondslag gelegde overwegingen, en het Hof heeft daarbij geen ambtshalve bedenkingen. Voor het toelaten van Nagico tot levering van het door haar aangeboden bewijs van de fout van [geintimeerde] bestaat, voorgaande overwegingen in aanmerking genomen, geen grond. 4.5 Grieven 2, 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Vast staat dat de medische kosten van [geintimeerde] in de Verenigde Staten door Medicare zijn betaald. [geintimeerde] heeft echter gesteld dat dit slechts een voorwaardelijke vergoeding betreft, welke zij dient terug te betalen aan Medicare zodra zij ter zake van de aansprakelijkheidsverzekeraar (Nagico) een vergoeding weet te verkrijgen, waartoe zij zich dient in te spannen. Ter onderbouwing van die stelling heeft [geintimeerde] delen van het door het U.S. Department of Health and Human Services uitgegeven handboek van september 2005 overgelegd. Mede gelet op de daarin gegeven uitleg dat Medicare tot een voorwaardelijke betaling kan besluiten ingeval de aansprakelijkheidsverzekeraar niet (binnen 120 dagen) betaalt, oordeelt het Hof de enkele overlegging van deze pagina’s uit het handboek onvoldoende onderbouwing van haar stelling dat in casu slechts een voorwaardelijke uitkering is gedaan. Het is aan [geintimeerde] om te stellen en te bewijzen dat op haar ter zake die kosten een terugbetalingsverplichting rust. Het Hof zal haar daartoe in de gelegenheid stellen. Zij zal bij akte, waarop Nagico bij antwoordakte zal kunnen reageren, bewijsmiddelen in het geding kunnen brengen en kunnen aangeven of zij getuigen wenst te doen horen. 4.6 Bij pleidooi in hoger beroep heeft Nagico nog bezwaren geuit ten aanzien van de vaststelling door het GEA van diverse andere schadeposten. Nu zij daartegen geen grieven had gericht en [geintimeerde] er niet meer op heeft kunnen reageren, zal het Hof aan die bezwaren, als tardief voorgesteld, voorbijgaan. Het Hof heeft ook geen ambtshalve bedenkingen tegen de oordelen van het GEA ter zake. Beslissing Het Hof: verwijst de zaak naar de rolzitting van het Hof, te houden in het “Court House” aan het De Ruyterplein te Philipsburg, Sint Maarten, op vrijdag 31 oktober 2008 om 8.30 uur voor akte houdende bewijslevering door [geintimeerde] als bedoeld in rechtsoverweging 4.5, waarop Nagico op een latere roldatum zal kunnen antwoorden; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.E.M. Polkamp, E.P. van Unen en L.J de Kerpel-van de Poel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten op 29 augustus 2008.