Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1173

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers107.001.834/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uit de enkele omstandigheid dat de deurwaarder op 6 januari 2006 bij [appellanten ] is geweest om de inboedel te noteren, waarbij deze deurwaarder heeft gewaarschuwd dat beslag op de inboedel zou worden gelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [appellanten ] bekend waren met het verstekvonnis. Daartoe is immers vereist dat [appellanten ] bekend waren met de hoofdinhoud van het vonnis, te weten wanneer, door welk gerecht en op wiens vordering zij waartoe zijn veroordeeld. Gelet hierop, alsmede gelet op de omstandigheid dat [appellanten ] in hoger beroep hebben aangevoerd dat de door hen bedoelde daden waartoe zij vervolgens zijn overgegaan om de verkoop tegen te gaan, slechts bestonden uit het zoeken van een advocaat om uit te zoeken wat er aan de hand was - welke advocaat volgens [appellanten ] eerst op 20 februari 2006 werkelijk door hen is ingeschakeld - en dus niet uit daden die naar buiten zijn gericht, slagen de grieven in zoverre. Of dit [appellanten ] ook zal baten, zal hierna blijken.


Uitspraak

Arrest d.d. 16 september 2008 Zaaknummer 107.001.834/01 HET GERECHTSHOF TE ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: 1. [appellant 1 ], 2. [appellant 2 ], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden en opposanten, hierna te noemen: [appellant 1 ], [appellant 2 ] en gezamenlijk [appellanten ], advocaat: mr. J.M. Bosnak, tegen 1. [geïntimeerde 1 ], 2. [geïntimeerde 2 ], beiden wonende te [woonplaats], geïntimeerden, in eerste aanleg: eisers en geopposeerden, hierna te noemen: [geïntimeerden ], advocaat: mr. H. van Ravenhorst, Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het verstekvonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2005, alsmede in de vonnissen in verzet uitgesproken op 31 mei 2006 en 17 januari 2007 door de rechtbank Zwolle-Lelystad. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 16 april 2007 is door [appellanten ] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis van 17 januari 2007 met dagvaarding van [geïntimeerden ] tegen de zitting van 12 juni 2007. Bij exploit van 18 juni 2007 hebben [appellanten ] [geïntimeerden ] aangezegd dat ter zitting van het Gerechtshof Arnhem van 12 juni 2007 is bepaald dat de zaak wordt voortgezet bij het Gerechtshof Leeuwarden en zijn laatstgenoemden opgeroepen om op 10 juli 2007 te verschijnen ter terechtzitting van het Gerechtshof Arnhem, nevenzittingplaats Leeuwarden teneinde aldaar verder te procederen. Ter rolle van 7 augustus 2007 is verstek verleend tegen [geïntimeerden ]. Ter rolle van 11 januari 2008 hebben [geïntimeerden ] het verstek gezuiverd. De conclusie van de memorie van grieven luidt: […] het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 17 januari 2007 met zaak- en rolnummer 119888/HA ZA 06-558, te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad alsnog te beslissen als volgt: 1. [appellanten ] te ontheffen van de veroordeling tegen hen uitgesproken bij vonnis van 22 juni 2005 met zaak- en rolnummer 109137/HA ZA 05-665 tussen [appellanten ] als gedaagden en [geïntimeerden ] als eisers gewezen met afwijzing van de gehele vordering; 2. [geïntimeerden ] te veroordelen in de kosten van de procedure in appel en de verzetprocedure. Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden ] verweer gevoerd met als conclusie: […] het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten ] in de kosten van het geding (in beide instanties), één en ander uitvoerbaar bij voorraad. [appellanten ] hebben een akte uitlating tevens overlegging productie genomen, gevolgd door een antwoordakte van de zijde van [geïntimeerden ] Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellanten ] hebben drie grieven opgeworpen. De beoordeling Ten aanzien van de procedure in eerste aanleg 1. Bij verstekvonnis van 22 juni 2005 zijn [appellanten ] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerden ] een bedrag van € 18.250,00 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2005 tot de dag van betaling. [appellanten ] zijn daarbij tevens hoofdelijk veroordeeld in de kosten van het geding. 2. [appellanten ] hebben op 10 maart 2006 verzet ingesteld tegen het verstekvonnis van 22 juni 2005. Volgens [appellanten ] is de verzettermijn aangevangen op 11 februari 2006, zodat zij tijdig in verzet zijn gekomen. 3. Bij het bestreden vonnis in verzet van 17 januari 2007 heeft de rechtbank geoordeeld, dat de wettelijke verzettermijn van vier weken is overschreden en dat [appellanten ] derhalve niet ontvankelijk zijn in hun verzet. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen: 3.4. [appellanten ] heeft aangevoerd dat op 6 januari 2006 de deurwaarder langs is geweest om de inboedel te noteren en deze deurwaarder heeft gewaarschuwd dat beslag op de inboedel zou worden gelegd. [appellanten ] stelt vervolgens direct actie ondernomen te hebben om de eventuele verkoop te voorkomen. 3.5. Hieruit volgt dat [appellanten ] in ieder geval op 6 januari 2006 op de hoogte was van het verstekvonnis op grond waarvan de beslaglegging werd aangevangen. Tevens is [appellanten ] zoals door [appellanten ] zelf is gesteld, direct tot daden overgegaan om de verkoop tegen te gaan, hetgeen alleen kan als de daden naar buiten zijn gericht. Dit betekent dat de verzettermijn op 7 januari 2006 is aangevangen. Nu [appellanten ] eerst 10 maart 2006 de verzetdagvaarding heeft laten uitbrengen, houdt dit een overschrijding van de wettelijke verzettermijn van 4 weken in. [appellanten ] is derhalve niet-ontvankelijk in het verzet, zodat de vordering tot ontheffing van de veroordeling uitgesproken in het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2005 zal worden afgewezen. Het verstekvonnis is vervolgens door de rechtbank bekrachtigd. Met betrekking tot de feiten 4. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.6) van het bestreden vonnis van 17 januari 2007 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Tevens is in hoger beroep - voor zover thans van belang - nog komen vast te staan: 4.1. Op 6 januari 2006 heeft een aan Flevoland Gerechtsdeurwaarders verbonden deurwaarder een op 6 januari 2006 gedateerde "brief aankondiging beslaglegging inboedel" aan [appellant 2 ] overhandigd. In deze brief is onder meer vermeld dat beslag op de inboedel van [appellanten ] zal worden gelegd en dat bij verdere non-betaling tot openbare verkoop daarvan zal worden overgegaan. Voorts is in die brief aangekondigd dat op woensdag 11 januari 2006 in de loop van de dag beslag zal worden gelegd op de inboedel, waarbij geadviseerd wordt om er voor zorg te dragen dat er alsdan iemand in de woning aanwezig is. 4.2. Op het in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis genoemde exploit van 11 januari 2006 staat onder meer vermeld: Vandaag (…) heb ik uit kracht van de grosse van een vonnis d.d. 22 juni 2005 gewezen door de Rechtbank Zwolle-Lelystad te Zwolle in de zaak van de executant(en) als eiser(s) en [[appellanten ]] (hierna te noemen geëxecuteerden) mij begeven naar en bevonden in het woonhuis van geëxecuteerde(n) te [plaats] aan het adres [adres], alwaar ik een vrouw aantrof die slecht Nederlands sprak en telefonisch contact opnam met, naar ik begreep, de geëxecuteerden. Vervolgens arriveerde mevrouw [betrokkene 1], die mij vertelde de zuster van geëxecuteerde sub 2 te zijn en haar te vertegenwoordigen (…) Waarvan opgemaakt dit door mij ondertekende proces-verbaal en waarvan een afschrift binnen drie dagen na vandaag aan de geëxecuteerde(n) zal worden betekend. Met betrekking tot de grieven 5. De grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de wettelijke verzettermijn is overschreden en dat [appellanten ] derhalve niet-ontvankelijk zijn in hun verzet, alsmede tegen hetgeen de rechtbank hiertoe heeft overwogen, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3 is weergegeven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 6. Het hof stelt voorop dat, nu het verstekvonnis of enig uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte niet aan [appellanten ] in persoon is betekend, de verzettermijn eerst is aangevangen na het plegen door [appellanten ] van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hen bekend is (artikel 143 lid 2 Rv). 7. [appellanten ] hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij eerst op 9 februari 2006 kennis hebben genomen van het verstekvonnis. Zij stellen vóór 9 februari 2006 niet bekend te zijn geweest met (de hoofdinhoud van) het verstekvonnis. Tevens hebben [appellanten ] aangevoerd dat zij weliswaar direct na het vertrek van de deurwaarder op 6 januari 2006 actie hebben ondernomen, maar dat dit geen actie is geweest die naar buiten toe was gericht. Volgens [appellanten ] hebben zij slechts een te benaderen advocaat gezocht om uit te zoeken wat er aan de hand was. Eerst op 20 februari 2006 hebben [appellanten ] een daad van bekendheid verricht door werkelijk een advocaat in te schakelen, aldus [appellanten ] Hoewel de verzettermijn dus pas op 20 februari 2006 is aangevangen, wordt gemakshalve uitgegaan van de in eerste aanleg door hen genoemde datum van 11 februari 2006, aldus nog steeds [appellanten ]. 8. Uit de enkele omstandigheid dat de deurwaarder op 6 januari 2006 bij [appellanten ] is geweest om de inboedel te noteren, waarbij deze deurwaarder heeft gewaarschuwd dat beslag op de inboedel zou worden gelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [appellanten ] bekend waren met het verstekvonnis. Daartoe is immers vereist dat [appellanten ] bekend waren met de hoofdinhoud van het vonnis, te weten wanneer, door welk gerecht en op wiens vordering zij waartoe zijn veroordeeld. Gelet hierop, alsmede gelet op de omstandigheid dat [appellanten ] in hoger beroep hebben aangevoerd dat de door hen bedoelde daden waartoe zij vervolgens zijn overgegaan om de verkoop tegen te gaan, slechts bestonden uit het zoeken van een advocaat om uit te zoeken wat er aan de hand was - welke advocaat volgens [appellanten ] eerst op 20 februari 2006 werkelijk door hen is ingeschakeld - en dus niet uit daden die naar buiten zijn gericht, slagen de grieven in zoverre. Of dit [appellanten ] ook zal baten, zal hierna blijken. 9. Het hof heeft op grond van hetgeen [geïntimeerden ] hebben aangevoerd en gelet op de omstandigheid dat termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen van openbare orde zijn en de appelrechter de bestreden uitspraak moet toetsen aan bepalingen die de openbare orde raken, ook ambtshalve te onderzoeken of het verzet tijdig is ingesteld. 10. [appellanten ] hebben bij memorie van grieven sub 7 expliciet gesteld dat de deurwaarder op 6 januari 2006 aan [appellant 2 ] een 6 januari 2006 gedateerde brief heeft overhandigd, waarin onder meer wordt aangekondigd dat op 11 januari 2006 beslag zal worden gelegd op de inboedel en waarbij tevens is geadviseerd om er voor zorg te dragen dat er alsdan iemand in de woning aanwezig is. Uit het hiervoor in rechtsoverweging 4.2 bedoelde exploit van 11 januari 2006 blijkt, zoals door [appellanten ] in hoger beroep ook is erkend, dat [appellanten ] - die overigens blijkens de brief van 6 januari 2006 reeds toen op de hoogte waren van het te leggen beslag op 11 januari 2006 - op 11 januari 2006 door een zich toen in hun woning bevindende vrouw telefonisch op de hoogte zijn gesteld van de aanwezigheid van de deurwaarder in hun woning. [appellanten ] hebben toen - naar eigen zeggen en zoals blijkt uit het exploit van 11 januari 2006 - direct actie ondernomen door een zus van [appellant 2 ] - te weten [betrokkene 1 ] - te verzoeken om zich naar de woning van [appellanten ] te begeven teneinde hen aldaar te vertegenwoordigen, hetgeen werkelijk is geschied. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten ] daarmee een daad gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat de aangevangen tenuitvoerlegging aan hen bekend is, zoals in artikel 143 lid 2 Rv is bedoeld. Het hof merkt daarbij op dat niet is gesteld of gebleken dat het onder 2.3 van het bestreden vonnis genoemde exploit waarvan het afschrift door [appellanten ] zelf is overgelegd en op welke inhoud [appellanten ] zich hebben beroepen, in werkelijkheid niet volgens de daarin gedane mededeling aan [appellanten ] is betekend. Het hof merkt hierbij op dat [appellanten ] weliswaar hebben gesteld dat zij toen niet bekend waren met (de hoofdinhoud van) het verstekvonnis, maar die eis wordt in de wet niet gesteld in het geval van bekendheid met de aangevangen tenuitvoerlegging. Het lag in dit verband op de weg van [appellanten ] om zelf na te gaan waarop de executie was gebaseerd en om vervolgens na kennisname van het verstekvonnis al dan niet in verzet te gaan. 11. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verzettermijn is aangevangen op 11 januari 2006. Omdat [appellanten ] eerst op 10 maart 2006 verzet hebben ingesteld tegen het onderhavige verstekvonnis, is de wettelijke verzettermijn van vier weken overschreden. Ook indien de wettelijke verzettermijn al (ambtshalve) in verband met artikel 6 EVRM zou moeten worden verlengd met een termijn van twee weken - te weten de termijn waarbinnen [appellanten ] naar het oordeel van het hof in redelijkheid op de hoogte kon komen van de inhoud van het vonnis - is de verzettermijn overschreden. Het bestreden vonnis zal dan ook - onder verbetering van gronden - worden bekrachtigd. De slotsom 12. Het hof komt tot de slotsom dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellanten ] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding (geliquideerd salaris advocaat: tarief II, 1,5 punt) De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het bestreden vonnis van 17 januari 2007; veroordeelt [appellanten ] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden ] vast op € 550,-- aan verschotten en op € 1.341,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat; verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Verschuur en Onnes-Wind, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 september 2008 in bijzijn van de griffier.