
Jurisprudentie
BF1062
Datum uitspraak2008-08-19
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 07/2097
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 07/2097
Statusgepubliceerd
Indicatie
De grondslag voor de maatregel op de bijstandsuitkering is onjuist. In artikel 9 lid 1 a WWB is niet opgenomen de plicht om algemeent geaccepteerde arbeid te behouden. Artikel 6 lid 3 onder e van de Afstemmingsverordering WWB van de gemeente Maastricht is zodoende in strijd met de wet. Het besluit berust voorts op een onvoldoende feitelijke grondslag.
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Procedurenummer: AWB 07/2097
Uitspraak van de enkelvoudige kamer
in het geding tussen
[naam],
wonend te [plaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder.
Datum bestreden besluit: 19 oktober 2007
Kenmerk: 80948300
1. Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 29 juli 2008. Eiser is verschenen bij gemachtigde F.Y.Gans, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door H. Pluijmaeckers, werkzaam bij de gemeente Maastricht.
2. Overwegingen
Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Op enig moment heeft eiser via het uitzendbureau werk gevonden bij inlener [naam werkgever]. Nadat hij er iets meer dan één dag had gewerkt, is het dienstverband geëindigd.
Bij besluit van 31 januari 2007 is besloten een maatregel van 100% gedurende een maand op de bijstandsuitkering van eiser toe te passen, omdat eiser door eigen toedoen werkloos is geworden. De maatregel is afgestemd op 50% van de bijstandsnorm in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. Verweerder heeft dit besluit na heroverweging gehandhaafd.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder terecht en op goede gronden aan eiser de maatregel heeft kunnen opleggen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening WWB 2007 (hierna: Afstemmingsverordening).
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Afstemmingsverordening legt het college overeenkomstig deze verordening een maatregel op indien naar zijn oordeel de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.
Artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Indien het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht, kan het college ingevolge het derde lid afzien van het opleggen van een maatregel.
Op grond van artikel 6, aanhef, van de Afstemmingsverordening worden gedragingen, waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of niet voldoende is nagekomen, ingedeeld in categorieën. Ingevolge sub c behoort tot de derde categorie:
a. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, als dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening;
e. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking.
Naar het oordeel van de rechtbank is de grondslag van het bestreden besluit niet alleen onduidelijk maar ook onjuist. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank constateert dat in de beslissing op bezwaar artikel 6, derde lid, sub e, van de Afstemmingsverordening is genoemd, terwijl vervolgens het bepaalde onder artikel 6, derde lid, onder a, letterlijk is geciteerd. Afgezien hiervan, is de beslissing op bezwaar kennelijk mede gebaseerd op artikel 9, eerste lid, van de WWB, echter niet helder is of het bepaalde onder a dan wel onder b is toegepast. Nu in deze geen sprake is van een aangeboden voorziening, mist het bepaalde onder b in ieder geval toepassing. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de beslissing is gebaseerd op het bepaalde in artikel 6, derde lid, sub e, van de Afstemmingsverordening.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bestaat voor eiser de plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. In dit artikel is niet opgenomen de plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden. Ook uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat wel beoogd is deze plicht onder de arbeidsinschakelende verplichtingen te laten vallen. Nu artikel 6 van de Afstemmingsverordening het opleggen van een maatregel betreft wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9 van de WWB, en in artikel 9 van de WWB niet de norm is gesteld om arbeid te behouden, kan ter zake van het niet behouden van arbeid niet op grond van artikel 6, derde lid, sub e, van de Afstemmingsverordening een maatregel worden opgelegd. Het besluit, zo dit is gebaseerd op dit artikellid, berust dan ook op een onjuiste grondslag. De rechtbank verwijst hiervoor mede naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 januari 2008 (LJN BC4720), waar een vergelijkbare situatie zich voordeed.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Afstemmingsverordening, wat artikel 6, derde lid, onder e, van de WWB betreft, in strijd is met de wet. Verweerder heeft niet aangegeven dat artikel 13, eerste lid, van de Afstemmingsverordening van toepassing is, in welk geval de verlaging overigens anders zou uitvallen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de wet. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende.
Daargelaten de exacte grondslag, overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit thans ook op een onvoldoende feitelijke grondslag berust en derhalve in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daartoe is als volgt overwogen.
Hetgeen uit de stukken kan worden opgemaakt, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat hier sprake is geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid c.q. van enige verwijtbaarheid. Er kan immers niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld om welke reden eiser werkloos is geworden. Door het uitzendbureau noch door de inlener is iets op schrift gesteld, waarop eiser kan reageren. Verweerder baseert zich louter op wat de consulent mondeling van een, niet nader genoemde, medewerker van het uitzendbureau heeft vernomen. Die medewerker zou, aldus de verslaglegging van die consulent, bovendien slechts te kennen hebben gegeven dat eiser niet voldeed en had aangegeven geen zin meer te hebben. Uit de rapportage kan de rechtbank niet afdoende opmaken of de uitlating van eiser, dat hij geen zin meer had, de directe aanleiding voor het einde van het dienstverband is geweest. De rechtbank heeft ook anderszins geen aanknopingspunten dat eiser niet gemotiveerd was. De omstandigheid dat eiser in een veelplegerstraject zit, is hiertoe niet voldoende.
Het enkele feit dat eiser niet voldoet, betekent niet per definitie dat hem een verwijt kan worden gemaakt. Zo is bij gebreke aan verdere informatie, zoals eiser aangeeft, niet uit te sluiten dat eiser gewoonweg niet geschikt was voor het werk. Nu niet duidelijk is welke functie eiser had, mede gelet op de aard van het bedrijf, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet bij voorbaat hierover conclusies worden getrokken. In dit verband wijst de rechtbank tevens erop dat vaststaat dat nog twee personen, die via het uitzendbureau bij bedoelde inlener werkten, met eiser zijn gestopt omdat ze niet voldeden. Hieruit kan worden afgeleid dat eiser in ieder geval niet de enige is geweest die niet zou voldoen. De rechtbank constateert verder nog dat onduidelijkheid erover bestaat of eiser ontslag heeft genomen of dat eiser is ontslagen. Eiser betwist immers uitdrukkelijk dat hij, zoals in de rapportage is neergelegd, zelf ontslag heeft genomen. Hij wijst erop dat een eigen ontslagname zich niet direct rijmt met het feit dat hij niet zou voldoen aan de eisen van de inlener, in welk geval een gegeven ontslag meer voor de hand ligt. Verweerder op zijn beurt laat zich hierover niet uitdrukkelijk uit. De rechtbank is met eiser van oordeel dat ook hierover voldoende duidelijkheid dient te bestaan teneinde een juiste inschatting te kunnen maken van de situatie.
Gezien het vorenstaande is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder niet enkel op basis van de voorhanden zijnde informatie van het uitzendbureau heeft kunnen besluiten.
Verweerder dient, zo het opleggen van een maatregel in een nieuw te nemen besluit wordt gehandhaafd, naar de reden van werkloosheid verder onderzoek te verrichten.
De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,- x 1 = € 644,-.
Niet is gebleken dat aan eiser een toevoeging is verleend.
Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Maastricht aan eiser.
Aldus gedaan door J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van I.H.J. van Neer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2008
w.g. I. van Neer w.g. J. Sleddens
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden: 19 augustus 2008
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.
Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, ook de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.