Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1054

Datum uitspraak2008-09-12
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAwb 08/29936
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uitzetting / Noord-Irak / laissez-passer / actieve en volledige medewerking
Naar het oordeel van de rechtbank dient onder een actieve en volledige medewerking redelijkerwijs ook begrepen te worden het ondertekenen van een lp-aanvraag èn het bij een presentatie verklaren bereid te zijn vrijwillig naar het land van herkomst terug te keren. De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 september 2008, nr. 200805361/1. Verweerder heeft gesteld, en eiser heeft niet bestreden, dat hij niet heeft meegewerkt aan het invullen van de lp-aanvraag. Derhalve heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende vertrekplicht. Nu niet uit te sluiten valt dat, indien hij hieraan wel voldoet, hij kan worden uitgezet is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank komt daarom niet toe aan beantwoording van de vraag of het mogelijk is een Noord-Irakees enkel m.b.v. een EU-document uit te zetten naar Noord-Irak.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken Registratienummer: Awb 08/29936 Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het geding tussen: [eiser], geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, IND dossiernummer [..], thans verblijvende op de detentieboot te Zaandam, raadsvrouwe mr. E. Derksen, eiser; en De Staatssecretaris van Justitie, vertegenwoordigd door mr. J.P Guérain (28 augustus 2008) en S. Raterink (08 september 2008), ambtenaren bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verweerder. 1. Procesverloop Op 18 augustus 2008 is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000). Op 19 augustus 2008 heeft eiser tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het beroep is ter zitting van 28 augustus 2008 gevoegd behandeld met het beroep onder nummer 08/29542. Eiser en zijn raadsvrouwe zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Bij brief van 29 augustus heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder een aantal vragen gesteld. Verweerder heeft deze vragen bij brief van 4 september beantwoord. Mr. Derksen heeft hierop bij brief van 8 september gereageerd. De rechtbank heeft partijen bij brief van 4 september laten weten dat de behandeling van de beroepen ter zitting van 8 september zal worden voortgezet. Ter zitting van 8 september is eiser, noch zijn raadsvrouwe verschenen. De laatste was verhinderd vanwege ziekte. Voor verweerder is S. Raterink verschenen. 2. Overwegingen Eiser heeft ontkend dat hij bij het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 18 augustus 2008 blijkt dat eiser heeft aangegeven dat hij geen advocaat bij het gehoor wil, maar wel rechtsbijstand gedurende de verdere procedure van bewaring. Nu eiser enkel heeft gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt, dat zijn standpunt niet juist is weergegeven gaat de rechtbank uit van de juistheid van voornoemd proces-verbaal. Eiser heeft vervolgens gesteld dat verweerder de piketdienst te laat heeft ingelicht. Verweerder erkent dit, maar stelt zich op het standpunt dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank volgt verweerder hierin. Eiser is van mening dat, nu hij voor de vierde keer in bewaring is gesteld, hogere eisen aan de motivering van die inbewaringstelling dienen te worden gesteld. De rechtbank volgt deze stelling niet en merkt daarbij op dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn vereist, nu de vorige bewaring niet is opgeheven wegens een gebrek aan zicht op uitzetting. Eiser betwist de grond ‘eerder niet rechtmatig in Nederland verbleven’. Wat hier ook van zij, ook indien deze grond buiten beschouwing wordt gelaten kunnen de overige gronden (waaronder de grond dat eiser ongewenst is verklaard) de maatregel van bewaring dragen. Eiser heeft voorts gesteld dat hij in totaal al meer dan 18 maanden in bewaring heeft gezeten. Dit is volgens hem in strijd met de richtlijn over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven inzake de maximale duur van vreemdelingenbewaring. De rechtbank overweegt dat geen – thans vigerende - rechtsregel verbiedt dat de totale duur van verschillende bewaringen meer bedraagt dan 18 maanden. Eiser heeft tot slot gesteld dat geen zicht bestaat op uitzetting naar Noord-Irak. Verweerder heeft op 17 augustus 2008 getracht eiser uit te zetten. Dit is niet gelukt. De gemachtigde heeft gesteld, onder verwijzing naar een faxbericht van Vluchtelingenwerk van 27 augustus 2008 en een telefonisch contact met een medewerker van de Iraakse ambassade, dat enkel vreemdelingen in het bezit van een laissez-passer worden toegelaten tot Irak. Eiser heeft geen laissez-passer. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zicht op uitzetting naar Noord-Irak niet ontbreekt. In verband met communicatieproblemen is de uitzetting van eiser op 17 augustus jl. niet geslaagd. Op 2 september zullen wederom vreemdelingen worden uitgezet naar Noord-Irak. Voor eiser is op deze vlucht geen plaats meer. Getracht zal worden hem zo snel mogelijk daarna uit te zetten. De rechtbank heeft na heropening van het onderzoek verweerder de volgende vragen gesteld omtrent uitzettingen naar Noord-Irak. De antwoorden van verweerder worden per vraag cursief weergegeven. Hoeveel personen staan voor de vlucht van 2 september 2008 ingepland? Voor de vlucht van 2 september 2008 naar Arbil, Noord-Irak, stonden twee personen gepland. Hoeveel van deze personen zijn daadwerkelijk op 2 september 2008 naar Irak uitgezet en door de Iraakse autoriteiten toegelaten? Van deze twee personen is één persoon daadwerkelijk uitgezet naar Arbil, Noord-Irak en door de Iraakse autoriteiten toegelaten. Langs welke route heeft deze uitzetting plaatsgevonden? Deze uitzetting heeft plaatsgevonden via de route Amsterdam-Arbil. Met behulp van welke documenten is de daadwerkelijke uitzetting geëffectueerd? De persoon die op 2 september 2008 is uitgezet was in het bezit van een geldig origineel Irakees paspoort. Hoeveel personen hebben bij de Iraakse autoriteiten aangegeven niet naar Irak terug te willen? De persoon die op 2 september 2008 met een geldig origineel Irakees paspoort is uitgezet naar Irak, wenste vrijwillig terug te keren naar Irak. Zijn op 2 september 2008 met succes personen uitsluitend met een EU-document naar Irak verwijderd, die hebben aangegeven niet naar Irak te willen terugkeren? Er zijn op 2 september 2008 geen personen uitgezet met een EU-document naar Irak, die hebben aangegeven niet naar Irak te willen terugkeren. Ter zitting van 8 september 2008 heeft verweerder, deels in antwoord op tevoren door de rechtbank toegezonden vragen, na overleg met de afdeling CIO van de Dienst Terugkeer en verstrek (DT&V), nog het volgende naar voren gebracht. De gang van zaken rond de uitzetting van Noord-Irakezen is nog hetzelfde als door deze rechtbank in haar uitspraak van 17 april 2008 (08/10789) weergegeven, namelijk als volgt. Er wordt een aanvraag om een laissez-passer (lp) ingediend bij de Iraakse ambassade. Wil die aanvraag kans op succes hebben dan zal aan twee voorwaarden moeten worden voldaan: 1. de persoon is afkomstig uit Noord-Irak ; 2. de persoon bezit de Iraakse nationaliteit. In het kader van de lp aanvraag vindt een presentatie plaats bij de Iraakse ambassade. Wordt door een medewerker van de ambassade vastgesteld dat de persoon de Iraakse nationaliteit heeft, dan wordt een nationaliteitsverklaring afgegeven. Indien ook aan de andere voorwaarde is voldaan én de persoon in kwestie aangeeft dat hij vrijwillig naar Irak wenst terug te keren, wordt spoedig een reisdocument verstrekt. Is de persoon niet bereid terug te keren naar Irak, dan houdt het traject daar op. Via de Afdeling Bijzonder Vertrek van de DT&V wordt dan een traject opgestart ter verkrijging van een zogenaamde EU-staat, een reisdocument. Wordt een dergelijk document verstrekt, dan moet de Iraakse ambassade in Nederland nog wel toestemming voor de daadwerkelijke uitzetting verlenen. De ambassade heeft toegezegd aan uitzettingen die op deze wijze zullen gaan plaatsvinden te zullen meewerken. In reactie op de door de rechtbank geciteerde update van Vluchtelingenwerk van 13 augustus 2008, waarin gesteld wordt dat er volgens de Iraakse ambassade geen overeenkomst met de ambassade is over gedwongen terugkeer, stelt verweerder dat volgens zijn informatie de ambassade enkel wil weten wie wanneer gaat vliegen. Verweerder ontkent dat de ambassade meer wil; dit zou betekenen dat het EU-traject zinloos zou zijn. Het EU-traject is een gedwongen traject en gaat buiten de ambassade om. Sinds 1 januari 2008 waren drie uitzettingen met een EU-staat niet succesvol (op 11 februari, 17 augustus en 2 september) en waren drie uitzettingen met een EU-staat wel succesvol. Twee daarvan (op 16 juli 2008 met een EU-staat en een verlopen paspoort en op 3 september met een EU-staat en een identiteitskaart) betroffen uitzettingen naar Centraal-Irak. Op 17 maart is een Noord-Irakees met een EU-staat en een verlopen lp (geldig van april 2007 tot september 2007) uitgezet naar Arbil, Noord-Irak. Verweerder is van mening dat aan het verlopen lp geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend; ook zonder dat is het zijns inziens mogelijk een Noord-Irakees met behulp van een EU-document naar Noord-Irak uit te zetten. Verweerder benadrukt dat een uitzetting met behulp van een EU-staat eerst aan de orde komt indien geen lp wordt verkregen. Uitzettingen met behulp van lp’s verlopen succesvol. Op 3 februari is een Centraal Irakees met een lp uitgezet naar Centraal Irak en op 10 maart is een Noord-Irakees met een lp uitgezet naar Arbil, Noord-Irak. De uitzetting op 2 september met behulp van een lp is mislukt omdat de autoriteiten in strijd met de afspraken om meer informatie over het verblijf in Nederland van de betreffende persoon vroegen, die Nederland niet verschaft. Verweerder stelt dat van een vreemdeling gevraagd mag worden een lp-aanvraag te ondertekenen en ook ten aanzien van de autoriteiten van het land van herkomst aan te geven dat men terug wil keren. De rechtbank overweegt als volgt. Op eiser rust de rechtsplicht Nederland te verlaten. Hij heeft dat niet binnen de gestelde vertrektermijn gedaan. De op hem rustende vertrekplicht brengt onder meer mee dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting verleent. De rechtbank is van oordeel dat onder deze actieve en volledige medewerking redelijkerwijs ook begrepen dient te worden het ondertekenen van een lp-aanvraag èn het bij een presentatie verklaren bereid te zijn vrijwillig naar het land van herkomst terug te keren. De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 september 2008, nr. 200805361/1. Verweerder heeft gesteld, en eiser heeft niet bestreden, dat hij niet heeft meegewerkt aan het invullen van de lp-aanvraag. Derhalve heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende vertrekplicht. Nu niet uit te sluiten valt dat, indien hij hieraan wel voldoet, hij kan worden uitgezet is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank komt daarom niet toe aan beantwoording van de vraag of het mogelijk is een Noord-Irakees enkel m.b.v. een EU-document uit te zetten naar Noord-Irak. Het beroep is ongegrond. Daarom kan geen schadevergoeding worden toegekend. 3. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van K.M.C. van Middelkoop als griffier op Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.