
Jurisprudentie
BF1044
Datum uitspraak2008-09-05
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/31075
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/31075
Statusgepubliceerd
Indicatie
Voortvarend handelen na strafdetentie
Hoewel de inactiviteit van verweerder tijdens eisers strafrechtelijke detentie eiser niet kan baten in het kader van de belangenafweging, welke volgt na het niet voldoen aan de inspanningsverplichting, overweegt de rechtbank dat dit evenwel niet betekent dat deze inactiviteit niet op een andere wijze consequenties zou kunnen hebben voor de rechtmatigheid van de (voortduring van de) bewaring. De rechtbank ziet aanleiding deze omstandigheid mee te wegen bij de beoordeling of verweerder gedurende eisers vreemdelingenrechtelijke bewaring voldoende voortvarend heeft gehandeld teneinde eiser uit te zetten. De rechtbank dient bij beantwoording van deze vraag immers alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken (o.m. AbRS 8 november 2007, JV 2008/12). In beginsel zal de situatie waarbij eerst op de twaalfde dag na de inbewaringstelling concrete uitzettingshandelingen worden verricht als het houden van een vertrekgesprek, het invullen van een lp-aanvraag en het doorzenden van deze aanvraag naar de lp-afdeling, niet snel als onvoldoende voortvarend handelen worden aangemerkt (zie o.m. AbRS 21 december 2007, nr. 200707694/1 en 24 december 2007, nr. 200708040/1). De rechtbank is echter van oordeel dat deze handelingen in het onderhavige geval evenwel niet als voldoende voortvarend kunnen worden aangemerkt. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verweerder gedurende langere tijd wist dat eiser vanuit een strafrechtelijk traject in vreemdelingenbewaring zou worden geplaatst als ook wanneer dat zou gebeuren. Nu verweerder deze strafrechtelijke periode niet heeft benut om een uitzettingstraject op te starten, heeft verweerder niet kunnen volstaan met het eerst op de twaalfde dag na het opleggen van de bewaring houden van een vertrekgesprek, invullen van de lp-aanvraag en verzenden van de aanvraag naar de lp-afdeling. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat ter zitting voorts niet is gebleken dat de lp-aanvraag inmiddels bij de autoriteiten van Mongolië is ingediend dan wel dat zulks zeer spoedig zal gebeuren. Hieruit volgt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
Hoewel de inactiviteit van verweerder tijdens eisers strafrechtelijke detentie eiser niet kan baten in het kader van de belangenafweging, welke volgt na het niet voldoen aan de inspanningsverplichting, overweegt de rechtbank dat dit evenwel niet betekent dat deze inactiviteit niet op een andere wijze consequenties zou kunnen hebben voor de rechtmatigheid van de (voortduring van de) bewaring. De rechtbank ziet aanleiding deze omstandigheid mee te wegen bij de beoordeling of verweerder gedurende eisers vreemdelingenrechtelijke bewaring voldoende voortvarend heeft gehandeld teneinde eiser uit te zetten. De rechtbank dient bij beantwoording van deze vraag immers alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken (o.m. AbRS 8 november 2007, JV 2008/12). In beginsel zal de situatie waarbij eerst op de twaalfde dag na de inbewaringstelling concrete uitzettingshandelingen worden verricht als het houden van een vertrekgesprek, het invullen van een lp-aanvraag en het doorzenden van deze aanvraag naar de lp-afdeling, niet snel als onvoldoende voortvarend handelen worden aangemerkt (zie o.m. AbRS 21 december 2007, nr. 200707694/1 en 24 december 2007, nr. 200708040/1). De rechtbank is echter van oordeel dat deze handelingen in het onderhavige geval evenwel niet als voldoende voortvarend kunnen worden aangemerkt. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verweerder gedurende langere tijd wist dat eiser vanuit een strafrechtelijk traject in vreemdelingenbewaring zou worden geplaatst als ook wanneer dat zou gebeuren. Nu verweerder deze strafrechtelijke periode niet heeft benut om een uitzettingstraject op te starten, heeft verweerder niet kunnen volstaan met het eerst op de twaalfde dag na het opleggen van de bewaring houden van een vertrekgesprek, invullen van de lp-aanvraag en verzenden van de aanvraag naar de lp-afdeling. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat ter zitting voorts niet is gebleken dat de lp-aanvraag inmiddels bij de autoriteiten van Mongolië is ingediend dan wel dat zulks zeer spoedig zal gebeuren. Hieruit volgt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 08/31075
V-nr.: 105.041.721
inzake:
[eiser], geboren op [geboortedaum] juni 1989, van (gestelde) Mongoolse nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, eiser,
gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. A.M.C. de Haan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 22 augustus 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Bij beroepschrift van 27 augustus 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 3 september 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig U. Popping, als tolk Mongools. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
Ten aanzien van de heenzending en de overdracht na de strafdetentie wordt opgemerkt dat uit het proces-verbaal van staande houden, overbrengen en ophouden (gedingstuk 4) blijkt dat eiser op 22 augustus 2008 om 13.00 uur is overgebracht en om 13.30 uur is opgehouden. Het is eisers gemachtigde bekend dat indien iemand vanuit strafrechtelijke detentie aansluitend in bewaring wordt gesteld dit in 95 tot 99 procent van de gevallen om 08.00 uur ’s ochtends plaatsvindt. Nu eiser eerst om 13.00 uur is overgebracht, is eiser vijf uur zonder geldige titel van zijn vrijheid beroofd geweest.
Voorts heeft verweerder niet voldaan aan de inspanningsverplichting die gedurende eisers strafrechtelijke detentie op verweerder rustte. Eiser heeft vanaf 26 april 2008 in strafrechtelijke detentie gezeten. Op 8 mei 2008 is een M120 uitgereikt aan eiser. Vanaf dat moment was derhalve duidelijk dat eiser in bewaring zou worden gesteld nadat hij uit strafrechtelijke detentie zou komen en had verweerder een aanvang moeten maken met uitzettingshandelingen. Behalve het uitreiken van de M120 is er niets gebeurd. De belangenafweging dient in het voordeel van eiser uit te vallen nu eiser niet ongewenst is verklaard en de door eiser begane delicten derhalve door verweerder niet als zware delicten zijn aangemerkt.
Voorts heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld teneinde eiser uit te zetten door niet direct nadat eiser in bewaring was gesteld een laissez-passer (lp) traject richting Mongolië op te starten. Eerst op 2 september 2008 is de lp-aanvraag ingevuld. Dat is twaalf dagen na de inbewaringstelling van eiser. Uit het dossier blijkt niet of de aanvraag is doorgezonden naar de lp-kamer of naar de Mongoolse autoriteiten. Onduidelijk is of dit binnen veertien dagen zal gaan gebeuren. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) dient binnen twee weken een lp-traject te zijn gestart.
Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.
Nu eiser blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van staande houden, overbrengen en ophouden (gedingstuk 4) om 13.00 uur is overgedragen vanuit het strafrecht kan niet worden gezegd dat eiser zonder titel van zijn vrijheid is benomen. Voorts is - nu er tijdens eisers strafdetentie geen uitzettingshandelingen zijn verricht - niet voldaan aan de inspanningsverplichting. De belangenafweging dient echter in het voordeel van verweerder uit te vallen, gelet op het acht pagina’s tellend Uittreksel Justitiële Documentatie met betrekking tot eiser. Ten slotte heeft verweerder nadat eiser in bewaring is gesteld wel voldoende voortvarend gehandeld. Op 26 augustus 2008 is eiser overgeplaatst naar het Detentiecentrum Zeist, op 27 augustus 2008 is eisers dossier aldaar ontvangen en is er een regievoerder aangesteld. Op 2 september 2008 heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en is de lp-aanvraag ingevuld. De regievoerder heeft op 2 september 2008 telefonisch meegedeeld dat hij de lp-aanvraag diezelfde dag zou doorsturen naar de lp-kamer.
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is op 26 april 2008 strafrechtelijk aangehouden. Op 8 mei 2008 heeft verweerder middels een M120-formulier aan eiser medegedeeld dat eiser na invrijheidstelling/ontslag uit het strafrechtelijk traject op grond van artikel 50, derde lid van de Vw 2000 zou worden overgebracht naar een plaats van verhoor en aldaar zou worden opgehouden.
Op 2 juli 2008 is eiser, onder meer voor het feit waarvoor eiser in voorlopige hechtenis zat, door de politierechter te Alkmaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden onvoorwaardelijk.
Met betrekking tot de grief dat eiser na opheffing van de strafrechtelijke detentie en voorafgaand aan zijn overdracht naar het vreemdelingentraject zonder titel van zijn vrijheid is beroofd, overweegt de rechtbank dat uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van staande houden, overbrengen en ophouden (gedingstuk 4) blijkt dat eiser om 13.00 is overgedragen vanuit het strafrecht. De enkele stelling dat dit in het grootste deel van de zaken reeds om 08:00 uur gebeurt, is onvoldoende om aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. Derhalve kan niet gezegd worden dat eiser vijf uur zonder geldige titel van zijn vrijheid ontnomen is geweest.
Ten aanzien van hetgeen is gesteld met betrekking tot de inspanningsverplichting overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat de inspanningsverplichting die op verweerder rust, is geschonden nu verweerder gedurende eisers strafdetentie geen aanvang heeft gemaakt met handelingen ter fine van uitzetting. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS maakt de enkele omstandigheid dat verweerder aldus niet heeft voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld, de daaropvolgende bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank deelt verweerders standpunt dat - gelet op de gronden van de inbewaringstelling en op de omstandigheid dat eiser meerdere malen is veroordeeld tot onder andere jeugddetentie, taakstraf en gevangenisstraf - verweerders belangen zwaarder wegen.
Hoewel de inactiviteit van verweerder eiser in dit opzicht niet kan baten, overweegt de rechtbank dat dit evenwel niet betekent dat deze inactiviteit niet op een andere wijze consequenties zou kunnen hebben voor de rechtmatigheid van de (voortduring van de) bewaring. De rechtbank ziet aanleiding deze omstandigheid mee te wegen bij de beoordeling of verweerder gedurende eisers vreemdelingenrechtelijke bewaring voldoende voortvarend heeft gehandeld teneinde eiser uit te zetten. De rechtbank dient bij beantwoording van deze vraag immers alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken (o.m. AbRS 8 november 2007, JV 2008/12).
In beginsel zal de situatie waarbij eerst op de twaalfde dag na de inbewaringstelling concrete uitzettingshandelingen worden verricht als het houden van een vertrekgesprek, het invullen van een lp-aanvraag en het doorzenden van deze aanvraag naar de lp-afdeling, niet snel als onvoldoende voortvarend handelen worden aangemerkt (zie o.m. AbRS 21 december 2007, nr. 200707694/1 en 24 december 2007, nr. 200708040/1). De rechtbank is echter van oordeel dat deze handelingen in het onderhavige geval evenwel niet als voldoende voortvarend kunnen worden aangemerkt. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verweerder gedurende langere tijd wist dat eiser vanuit een strafrechtelijk traject in vreemdelingenbewaring zou worden geplaatst als ook wanneer dat zou gebeuren. Nu verweerder deze strafrechtelijke periode niet heeft benut om een uitzettingstraject op te starten, heeft verweerder niet kunnen volstaan met het eerst op de twaalfde dag na het opleggen van de bewaring houden van een vertrekgesprek, invullen van de lp-aanvraag en verzenden van de aanvraag naar de lp-afdeling. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat ter zitting voorts niet is gebleken dat de lp-aanvraag inmiddels bij de autoriteiten van Mongolië is ingediend dan wel dat zulks zeer spoedig zal gebeuren. Hieruit volgt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
Indien verweerder de uitzetting met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt, is voortzetting van de bewaring niet langer geoorloofd. Zulks volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onder f van het EVRM (zie o.m. EHRM 11 november 1996, Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk, par. 113 (RV 1996/20), EHRM 25 januari 2005, Singh tegen Tjechië (JV 2005/114) als ook deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, uitspraak van 25 juli 2008 (AWB 08/25030)).
Uit het voorgaande volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande op 5 september 2008.
De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, te rekenen vanaf 3 september 2008, de dag van de zitting waarop geconstateerd werd dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, derhalve in totaal € 160,-.
Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
III. BESLISSING
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt dat de bewaring ingaande per 5 september 2008 wordt opgeheven;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 160,-- (zegge: honderdzestig euro), te betalen aan eiser;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.G.H. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Aar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2008.
Afschrift verzonden op:
Conc.:MA
Coll: SL
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.