Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1035

Datum uitspraak2008-09-05
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsGroningen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAwb 07/48022
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 3.52 Vb 2000 / art. 8 EVRM / doel vergunning / objectieve belemmeringen
Weigering vergunning voortgezet verblijf na expiratie amv vergunning. Verweerder acht inmenging op het familie- en gezinsleven van eiseres gerechtvaardigd onder meer omdat aan haar slechts een tijdelijke vergunning was verleend. Rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit bij de te maken belangenafweging ten onrechte is uitgegaan van het doel van de aan eiseres oorspronkelijke verleende verblijfsvergunning en daaraan een te groot gewicht heeft toegekend. In de uitspraken van de ABRS van 30 oktober 2006 (LJN: AZ1918) en 23 maart 2007 (LJN: BA2163), is geoordeeld dat bij de vraag of sprake is van inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM niet doorslaggevend is het doel waarvoor een eerdere verblijfstitel is verleend, maar de omstandigheid de vreemdeling, voorafgaand aan het bestreden besluit, over een verblijfstitel beschikte, waardoor deze feitelijk in staat was gezinsleven uit te oefenen. Evenals bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van inmenging, staat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gerechtvaardigde inmenging niet het oogmerk van de verleende vergunning voorop. Uit de jurisprudenite van het EHRM (Boultif, Üner en Sezen) blijkt niet dat de aard van de verleende verblijfsvergunning tot de aandachtspunten behoort die in de afweging of de inmenging gerechtvaardigd is, moet worden betrokken. Evenmin blijkt uit de jurisprudentie van het EHRM dat in geval van een inmenging op het recht op familie- en gezinsleven relevant is of er objectieve belemmeringen zijn om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Dit criterium kan niet zonder meer gelijk worden gesteld aan het door het EHRM gehanteerde criterium van de ernst van de moeilijkheden welke de echtgeno(o)t(e) en de kinderen zullen ondervinden in het land van de vreemdeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen die de verblijfsbeëindiging met zich brengt voor de echtgenoot en het nog jonge kind van eiseres, in het bijzonder wat betreft de ernst van de moeilijkheden die zij zullen ondervinden als zij besluiten het gezinsleven in Angola uit te oefenen. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer Zaaknummer: Awb 07/48022 Uitspraak in het geschil tussen: [de vreemdeling], geboren op [geboortedatum], van Angolese nationaliteit, V-nummer: [..], eiseres, gemachtigde: mr. B.G. Schonebeek, advocaat te Groningen, en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, (Immigratie-en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. S. Raterink, ambtenaar ten departemente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Op 15 november 2005 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot wijziging van de verblijfsvergunning in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking “voortgezet verblijf” en tot verlenging van die verblijfsvergunning. Verweerder heeft bij besluit van 12 juli 2006 afwijzend op de aanvraag beslist. 1.2. Bij besluit van 30 november 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift van 8 augustus 2007 ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking heeft eiseres bij brief van 24 december 2007 beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij brief van 19 februari 2008 zijn de gronden van het beroep ingediend. 1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 8 augustus 2008. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens heeft eiseres zich doen vergezellen van haar echtgenoot, E.M. Waleson. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Rechtsoverwegingen Feiten en standpunten van partijen 2.1. Aan eiseres is bij besluit van 11 oktober 2002, met ingang van 13 augustus 2002 en geldig tot 13 augustus 2003, ambtshalve een reguliere vergunning verleend onder de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). Bij besluit van 17 oktober 2005 is deze vergunning verlengd tot 13 augustus 2005. Eiseres heeft een zoon die op 3 augustus 2004 is geboren en de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiseres is gehuwd. Haar echtgenoot heeft de Nederlandse nationaliteit en is de vader van haar zoon. 2.2. Verweerder heeft de aanvraag om voortgezet ververblijf en verlenging van die verblijfsvergunning afgewezen omdat eiseres niet aan de voorwaarden voldoet voor voortgezet verblijf nu in Angola adequate opvang is voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De stelling van eiseres dat zij er op mocht vertrouwen dat haar aanvraag zou worden ingewilligd, nu bij besluit van 17 oktober 2005 de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier is verlengd tot 13 augustus 2005 volgt verweerder niet. Daartoe heeft verweerder in de eerst plaats onder verwijzing naar het beleid overwogen dat ook na verlenging van een verblijfsvergunning de (voormalig) alleenstaande minderjarige vreemdeling in beginsel dient terug te keren naar het land van herkomst of een ander land waar hij of zij redelijkerwijs naar toe kan gaan. Met de onderhavige aanvraag is er sprake van een volledig nieuw toetsmoment, waarbij alle feiten en omstandigheden die eiseres aangaan, opnieuw worden beoordeeld. Niet kan worden gesproken van een “ongeclausuleerde toezegging” in het besluit van 17 oktober 2005. Het enkele feit dat eiseres gedurende drie jaar in het bezit is geweest van een reguliere verblijfsvergunning is slechts één van de voorwaarden om op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) in aanmerking te komen voor de gevraagde verblijfsvergunning. Voorts is niet gebleken dat van eiseres wegens bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 Vb 2000 niet gevergd kan worden Nederland te verlaten. De stelling dat eiseres gedurende drie volle jaren in het bezit is geweest van een reguliere verblijfsvergunning als een bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt wordt door verweerder niet gevolgd. Eiseres is onder het ‘nieuwe ama-beleid’ Nederland ingereisd, zodat het desbetreffende beleid van na 4 januari 2001 op haar van toepassing is. Dat eiseres drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, kan niet als een bijzondere individuele omstandigheid worden aangemerkt. Bovendien is uit de overige aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk geworden dat eiseres zodanig is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en de Angolese samenleving zozeer is ontwend dat van haar terugkeer naar het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd. Nu eiseres bijna vijftien jaar in Angola heeft gewoond, tegenover vijf jaar in Nederland, kan niet worden uitgegaan van het feit dat alle banden met Angola zijn verbroken. Met betrekking tot het beroep van eiseres op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft verweerder overwogen dat de inmenging in het privéleven van eiseres gerechtvaardigd is. Afweging van de belangen brengt met zich dat aan het algemeen belang meer gewicht kan worden toegekend. Weliswaar heeft eiseres van augustus 2002 tot november 2007 rechtmatig in Nederland verbleven, maar niet kan worden gesproken van zodanig lang rechtmatig verblijf in Nederland dat haar terugkeer naar het land van herkomst een zodanig aantasting op haar fysieke, dan wel morele integriteit oplevert, dat haar terugkeer een schending oplevert als bedoeld in artikel 8 EVRM. Verder heeft eiseres vanaf haar geboorte tot juist voor haar zestiende levensjaar in het land van herkomst gewoond, zodat zij geacht kan worden daar een privéleven in de zin van artikel 8 EVRM te hebben genoten en dat bij terugkeer te hervatten. Daarnaast is van belang dat eiseres wist dat haar slechts verblijf was toegestaan onder de beperking als amv. Nu eiseres niet langer voor dit verblijfsdoel in aanmerking komt, kan in redelijkheid van haar verlangd worden terug te keren naar haar land van herkomst. Niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden dat uit het recht op respect voor haar privéleven de verplichting bestaat haar hier te lande verblijf toe te staan. Voor zover in het kader van artikel 8 EVRM is aangevoerd dat eiseres een relatie heeft gekregen met Erik Waleson, van Nederlandse nationaliteit, en uit deze relatie op 3 augustus 2004 een zoon is geboren heeft verweerder het volgende overwogen. De weigering om aan eiseres voortgezet verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Weliswaar is sprake van inmenging in het familie- of gezinsleven, doch deze is gerechtvaardigd. Afweging van de belangen leidt er in dit geval tot het oordeel dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder dient te wegen dan het belang van eiseres om gezinsleven uit te oefenen. Eiseres is weliswaar in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier, doch deze verblijfsvergunning is niet verleend met het doel gezinsleven in Nederland met een echtgenoot en kind mogelijk te maken. Verder is niet gebleken van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Van de heer Waleson en zijn zoon kan in redelijkheid worden gevergd dat zij eiseres volgen naar haar land van herkomst, dan wel een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan, indien zij gezinsleven beogen. Dat vader en zoon de Nederlandse nationaliteit hebben en vader hier een baan heeft, vormt hierin geen (afdoende) beletsel. Dat de sociaaleconomische situatie voor eiseres, dan wel een van haar gezinsleden in het land van herkomst minder gunstig is dan in Nederland, vormt evenmin een belemmering om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Eiseres verschilt hierin niet van andere vreemdelingen aan wie evenmin om deze reden voortgezet verblijf wordt toegestaan. 2.3. Eiseres heeft in de eerste plaats verwezen naar al hetgeen eerder in de procedure naar voren is gebracht. Voorts heeft eiseres gesteld dat gezien het feit dat zij bij binnenkomst in Nederland jonger was dan vijftien jaar, zij er op mocht rekenen dat haar voortgezet verblijf zou worden toegestaan als zij drie jaar in het bezit zou zijn gebleven van een verblijfsvergunning op grond van het amv-beleid. Nu verweerder bij besluit van 17 oktober 2005 eiseres een vergunning op grond van het amv-beleid tot 13 augustus 2005 heeft verleend, kon in het kader van de aanvraag om voortgezet verblijf niet meer worden geconcludeerd dat zij in de periode tussen 13 augustus 2005 en 17 oktober 2005 niet meer aan de voorwaarden voldeed. Eiseres acht een dergelijke inconsequentie in de beoordeling van verweerder rechtens ontoelaatbaar. Aangezien op 17 oktober 2005 door verweerder is geconcludeerd dat eiseres voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning als amv, staat vast dat eiseres gedurende drie jaren onafgebroken aan deze vereisten heeft voldaan, vanaf 13 augustus 2002 tot 13 augustus 2005. Op 13 augustus 2005 was eiseres nog minderjarig en zij is eerst op 23 oktober 2005 meerderjarig geworden. Gelet op de bewoordingen van artikel 3.51 van het Vb 2000 dient te worden beoordeeld of eiseres op 13 augustus 2005 nog steeds aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning op grond van het bijzondere beleid voor amv voldeed. Eiseres acht dit gelet op het besluit van 17 oktober 2005 het geval. Ten onrechte stelt verweerder dan ook dat eiseres op de peildatum niet meer voldeed aan de voorwaarden zoals genoemd in paragraaf C2/7.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Verder bestrijdt eiseres dat sprake is geweest van een ambtelijke misslag. Zij wijst er op dat bij het nemen van het besluit van 5 januari 2005 Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (hierna: TBV) 2003/64 reeds in werking was getreden, maar dat adequate opvang in het opvanghuis te Mulemba haar niet werd tegengeworpen. Ook gedurende de behandeling van het beroep tegen dit besluit was TBV 2003/64 van kracht, maar werd adequate opvang in het opvanghuis Mulemba evenmin tegengeworpen. Voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar op 17 oktober 2005, waarbij aan eiseres een amv-verblijfsvergunning werd verleend en verlengd geldt dit ook. Ook in de kennisgeving van 29 maart 2006 heeft verweerder niet gerept van een ambtelijke misslag. Eiseres stelt dat in haar geval geen sprake is geweest van (een) ambtelijke misslag inzake het niet tegenwerpen van adequate opvang in Angola, maar van (een) weloverwogen beslissing daaromtrent. Bij eiseres mocht en kon daarom de gerechtvaardigde verwachting opkomen dat er voor haar geen adequate opvang (in de vorm van het opvanghuis Mulemba) in Angola voorhanden was (in de ogen van verweerder), zodat zij kon en mocht verwachten dat haar het bestaan van deze opvang niet tegengeworpen zou worden bij haar aanvraag tot een verblijfsvergunning met als doel ‘voortgezet verblijf’. Eiseres wijst in dit verband op informatie van de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM) over Mulemba. Volgens deze informatie is Mulemba in het geheel niet ingericht voor de opvang van alleenstaande (minderjarige) moeders. Mulemba is slechts ingericht voor en kan slechts faciliteiten bieden aan alleenstaande jongeren tussen de 6 en 18 jaar. Dat het voorhanden zijn van opvangmogelijkheden in Mulemba eiseres niet zou worden tegengeworpen, mocht zij ook op grond van deze informatie verwachten. Eiseres betoogt voorts dat verweerder bij de beoordeling in het kader van artikel 3.52 Vb 2000 ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat eiseres drie jaren in het bezit is geweest van de verblijfsvergunning als amv niet aangemerkt kan worden als een bijzondere individuele omstandigheid. In de geest van het bijzondere beleid ten aanzien van amv’s kan van de amv na drie jaar een verblijfsvergunning te hebben gehad en die nog steeds minderjarig is niet meer gevergd worden dat zij Nederland moet verlaten. De (andere) door eiseres naar voren gebrachte bijzondere individuele omstandigheden en haar beroep op artikel 8 EVRM hadden beoordeeld moeten worden in het licht van deze al bijzondere individuele omstandigheid. Verweerder heeft nagelaten de door haar naar voren gebrachte bijzondere omstandigheden in onderling verband en samenhang te beoordelen. Eiseres acht het door verweerder ingenomen standpunt dat de aan eiseres verleende vergunning uitsluitend als doel had haar hier te lande in Nederland op te vangen als amv, en dat deze vergunning niet was verleend om gezinsleven in Nederland mogelijk te maken in het licht van artikel 8 EVRM onhoudbaar. Dat zou volgens eiseres met zich brengen dat zij op ontoelaatbare wijze zou worden beperkt in het uitoefenen van het haar bij artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van haar privéleven. Het recht op het ontwikkelen van een gezinsleven hier in Nederland met de haar verleende verblijfsvergunning kon eiseres daarom niet worden ontzegd. Daarnaast is verweerder in het bestreden besluit uitgegaan van een onjuist feitencomplex, zodat het besluit ook om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Eiseres meent dat verweerder bij afweging van alle in aanmerking komende belangen aanleiding had moeten zien haar aanvraag in te willigen. Haar echtgenoot beschikt over een vaste aanstelling en een inkomen dat voldoet aan de inkomenseis voor gezinnen. Er is geen sprake van criminele antecedenten en eiseres beschikt over een paspoort. Het terugkeren van eiseres naar Angola om aldaar een machtiging tot voorlopig verblijf aan te vragen zal voor haar, haar echtgenoot en haar kind zeer bezwarend zijn. Eiseres stelt dat de door verweerder in het bestreden besluit gemaakte belangenafweging een draagkrachtige motivering mist. Het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor ‘voortgezet verblijf’ getuigt volgens eiseres van “excessief formalisme” als bedoeld in de uitspraak van het EHRM van Rodrigues da Silva, JV 2006/90 en betekent daarom een schending van artikel 8 EVRM. Subsidiair heeft eiseres betoogd dat verweerder toepassing had moeten geven aan het gestelde in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: WBV) 2007/30 en haar een verblijfsvergunning had moeten verlenen onder de beperking “het uitoefenen van gezinsleven/privéleven conform artikel 8 EVRM”. Wettelijk kader 2.4. Een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000, worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. De bijzondere voorwaarden, waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het verblijfsdoel “voortgezet verblijf” na het verblijfsdoel “verblijf als amv” wordt verleend, zijn nader uitgewerkt in de artikelen 3.50, 3.51 en 3.52 Vb 2000 en in paragraaf B16/5 Vc 2000. 2.5. Ingevolge artikel 3.81 Vb 2000 wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 van het Vb 2000 niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing zijn indien de aanvraag tijdig is ingediend. 2.6. Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking, verband houdende met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Ingevolge artikel 3.51, tweede lid, Vb 2000 kan de verblijfsvergunning worden verleend indien de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. 2.7. Volgens paragraaf B14/2.4.5 Vc 2000 moeten alleenstaande minderjarige vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven. In dat geval dient te worden beoordeeld of bij terugkeer aldaar voor de minderjarige naar plaatselijke maatstaven gemeten adequate opvang aanwezig is. Indien dat niet het geval is, kan de minderjarige in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor de bepaalde tijd onder de beperking verblijf als amv. Ook na verlening van verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de amv in beginsel moet terugkeren. 2.8. TBV 2003/64 is met ingang van 1 januari 2004 in werking is getreden. In dit TBV, die later is vervangen door WBV 2005/14, is als beleid van verweerder neergelegd dat door de aanwezigheid van een opvanghuis Mulemba in Angola adequate opvang voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen voorhanden is. Minderjarige asielzoekers van Angolese nationaliteit komen volgens de TBV derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Volgens de TBV wordt een aanvraag om verlenging van een amv-vergunning afgewezen. 2.9. Ingevolge artikel 3.52 Vb 2000 kan in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van verweerder wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. 2.10. In artikel 8 EVRM is het volgende bepaald: 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Beoordeling van het beroep 2.11. Voor zover het door eiseres aangevoerde aldus moet worden begrepen dat eiseres aan de verlenging van haar verblijfsvergunning bij besluit van 17 oktober 2005 het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat zij in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van ‘voortgezet verblijf’ verwerpt de rechtbank die grond. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) van 12 september 2007, nummer 200703538/1 (JV 2007, 476), gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer LJN: BB3791, overweegt de rechtbank dat met de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning in verband met voortgezet verblijf voor verweerder een nieuw toetsingsmoment is ontstaan om te onderzoeken of eiseres nog aan de gestelde voorwaarden voor verlening voldeed. Bovendien heeft verweerder, anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, geen mededeling aan eiseres gedaan dat haar de gevraagde verblijfsvergunning zou worden verleend. Uit het besluit van verweerder van 17 oktober 2005 kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de laatste verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning tot 13 augustus 2005 berust op een ambtelijke misslag omdat volgens TBV 2003/64 vanaf 1 januari 2004 adequate opvang in Mulemba aanwezig is. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres hiertegen heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze overweging. Er zijn in het dossier geen aanknopingspunten dat verweerder bij het nemen van het besluit van 17 oktober 2005 welbewust de aanwezigheid van adequatie opvang in Angola niet aan eiseres heeft willen tegenwerpen. Gegeven deze omstandigheden heeft eiseres aan de verlenging van haar amv vergunning niet het rechtens te honoreren vertrouwen mogen ontlenen dat aan haar een vergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ zou worden verleend. Artikel 3.51 Vb 2000 2.12. Verweerder is in het bestreden besluit niet ingegaan op het standpunt van de gemachtigde van eiseres in de gronden van het beroep van 13 juli 2007, gericht tegen het besluit op bezwaar van 14 juni 2007, dat het opvangtehuis Mulemba niet is ingericht voor de opvang van alleenstaande (minderjarige) moeders en dat Mulemba slechts faciliteiten kan bieden voor jongeren tussen de zes en achttien jaar. De enkele overweging van verweerder in het bestreden besluit dat in het besluit van 12 juli 2006 terecht is geconcludeerd dat in Angola adequate opvang beschikbaar is voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, is zonder nadere toelichting niet begrijpelijk. De stelling van verweerder ter zitting dat het beroep van 13 juli 2007 inzoverre moet worden opgevat als zijnde een beroep op het gerechtvaardigde vertrouwen en dat om die reden daar niet afzonderlijk op is gereageerd, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een onjuiste lezing van de gronden van het betreffende beroep. Het door verweerder ingenomen standpunt in het (ingetrokken) besluit van 14 juni 2007 over de beschikbaarheid van adequate opvang is immers uitdrukkelijk in de gronden van beroep bestreden. Na de intrekking van het besluit van 14 juni 2007 was verweerder bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar wel degelijk gehouden om daar inhoudelijk op in te gaan. Het door eiseres bestreden besluit ontbeert in zoverre een deugdelijke motivering. De ter zitting door verweerder ingenomen stelling dat de gemachtigde van eiseres niet met het overgelegde artikel van de IOM heeft onderbouwd dat geen sprake is van adequate opvang in Mulemba, ontslaat verweerder niet de verplichting om in het bestreden besluit daar een overweging aan te wijden. Artikel 3.52 Vb 2000 en 8 EVRM 2.13. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de ABRS, zie de uitspraak van 29 april 2005, LJN: AT5486, nr. 200501033/1, blijkt dat bij de beoordeling van omstandigheden in het kader van artikel 3.52 Vb 2000 tevens artikel 8 EVRM aan de orde kan worden gesteld. Hetgeen eiseres in dat kader heeft aangevoerd, kan in het licht van de beide genoemde artikelen worden bezien. Uit de gronden van het beroep blijkt dat eiseres in het kader van artikel 3.52 Vb 2000 een beroep doet op haar recht op respect voor haar privéleven en op het recht op respect voor haar gezinsleven. 2.14. Wat betreft het recht op respect van haar privéleven en haar gezinsleven, stelt de rechtbank voorop dat niet in geding is dat de weigering eiseres haar de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen, als een inmenging op deze rechten moet worden aangemerkt. In geding is immers de weigering haar verblijfsvergunning die haar in staat stelde privéleven en gezinsleven uit te oefenen, zoals het aangaan van een relatie en sociale contacten, te verlengen en te wijzigen. 2.15. Voor wat betreft de vraag of deze inmenging in deze rechten gerechtvaardigd is, dienen op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) de feiten en omstandigheden in het individuele geval in ogenschouw te worden genomen. Het bereiken van een “fair balance” tussen die belangen staat daarbij voorop, waarbij aan verweerder een bepaalde mate van beoordelings¬vrijheid (“certain margin of appreciation”) toekomt. Criteria voor deze belangenafweging zijn onder meer de duur van het verblijf van de betrokken vreemdeling, de nationaliteit van de betrokken gezinsleden, de gezinssituatie als zodanig, zoals de duur van het huwelijk en andere factoren die de intensiteit van het gezinsleven tot uitdrukking brengen, of er ook sprake is van gezinsleven met kinderen en zo ja, de leeftijd van die kinderen en ernst van de moeilijkheden welke de echtgenoot vermoedelijk in het land van vreemdeling zal ondervinden bij vestiging aldaar. Voorts dienen in de afweging te worden betrokken de belangen en welzijn van de kinderen, de ernst van de moeilijkheden die de kinderen zullen krijgen in het land waarnaar de ouder wordt uitgezet en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden met het gastland en het land van bestemming. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van het EHRM inzake Boultif tegen Zwitserland, 2 augustus 2001, JV 2001/254, Üner tegen Nederland, 18 oktober 2006, JV 2006/417 en Sezen tegen Nederland, 30 januari 2006, JV 2006/89. In het bijzonder blijkt uit laatstgenoemde uitspraak dat het EHRM een groot gewicht toekent aan de mogelijke gevolgen die een verblijfsbeëindiging zou hebben voor het gezinsleven van de vreemdeling, met name voor de echtgeno(o)te en de kinderen. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de genoemde uitspraak inzake Boultif, anders dan bij eiseres, betrekking had op een ongewenst verklaring waarbij toelating tot Nederland voor een groot aantal jaren werd ontzegd. Op zich is dit juist, maar dat betekent niet dat verweerder de factoren zoals weergegeven in deze uitspraken niet bij zijn beoordeling behoefde te betrekken. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in de uitspraak inzake Sezen bij het EHRM uitsluitend de weigering om de verblijfsvergunning te verlengen aan de orde was en het EHRM desondanks de criteria als genoemd in de uitspraak inzake Boultif heeft gehanteerd. 2.16. Verweerder heeft in het bestreden besluit in het kader van de vraag of de inmenging gerechtvaardigd is, een grote rol toegekend aan het oorspronkelijke doel waarvoor de verblijfsvergunning aan eiseres is verleend. In de uitspraken van de ABRS van 30 oktober 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: AZ1918) en 23 maart 2007 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BA2163), is geoordeeld dat bij de vraag of sprake is van inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM niet doorslaggevend is het doel waarvoor een eerdere verblijfstitel is verleend, maar de omstandigheid de vreemdeling, voorafgaand aan het bestreden besluit, over een verblijfstitel beschikte, waardoor deze feitelijk in staat was gezinsleven uit te oefenen. Dit oordeel van de ABRS, dat nadien ook in andere uitspraken is neergelegd, vindt eveneens zijn grondslag in de jurisprudentie van het EHRM. Evenals bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van inmenging, staat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gerechtvaardigde inmenging niet het oogmerk van de verleende vergunning voorop. Uit de hiervoor genoemde uitspraken van het EHRM blijkt niet dat de aard van de verleende verblijfsvergunning tot de aandachtspunten behoort die in de afweging of de inmenging gerechtvaardigd is, moet worden betrokken. Gelet op deze jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit bij de te maken belangenafweging ten onrechte is uitgegaan van het doel van de aan eiseres oorspronkelijke verleende verblijfsvergunning en daaraan een te groot gewicht heeft toegekend. Overigens is ook in het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf B2/10.2.3 Vc 2000, het doel van de verleende verblijfsvergunning niet als factor vermeld die in de te maken belangenafweging dient te worden betrokken. 2.17. Evenmin blijkt uit de jurisprudentie van het EHRM dat in geval van een inmenging op het recht op familie- en gezinsleven, anders dan in de door verweerder gemaakte afweging, relevant is of er objectieve belemmeringen zijn om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Dit criterium kan niet zonder meer gelijk worden gesteld aan het door het EHRM gehanteerde criterium van de ernst van de moeilijkheden welke de echtgeno(o)t(e) en de kinderen zullen ondervinden in het land van de vreemdeling. 2.18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen die de verblijfsbeëindiging met zich brengt voor de echtgenoot en het nog jonge kind van eiseres, in het bijzonder wat betreft de ernst van de moeilijkheden die zij zullen ondervinden als zij besluiten het gezinsleven in Angola uit te oefenen. De overweging van verweerder in het bestreden besluit dat van de echtgenoot en zijn zoon redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij eiseres volgen naar haar land van herkomst, dan wel enig ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan indien zij gezinsleven beogen, acht de voorzieningenrechter in het licht van de hiervoor genoemde jurisprudentie van het EHRM een ontoereikende motivering. In dit verband is van belang dat de echtgenoot van eiseres kostwinner is, dat hij - indien hij eiseres zou moeten volgen naar haar land van herkomst - zijn baan zou moeten opzeggen, dat niet zeker is of hij een verblijfsvergunning in Angola krijgt en dat hij zijn familie en vrienden zou moeten achterlaten. Daarnaast zou de echtgenoot de Angolese taal moeten leren en daar voor zover mogelijk een baan moeten gaan zoeken om in het levenonderhoud van eiseres en het kind te kunnen voorzien. Voorts is van belang dat het kind van eiseres, die thans de leeftijd van vier jaar heeft, in Nederland is geboren, dat hij geen verblijfsvergunning voor Angola heeft, hij geen Angolees spreekt, hij daar nooit is geweest en hij geen culturele- en sociale banden met Angola heeft. Verder hebben zowel de echtgenoot als het kind de Nederlandse nationaliteit. 2.19. Nu verweerder bij het nemen van het bestreden besluit de criteria van het EHRM aangaande de vraag of de inmenging op het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is, onjuist heeft toegepast, ontbeert het besluit ook inzoverre een deugdelijke motivering. In verband hiermee komt de rechtbank niet meer toe aan de toetsing van de rechtmatigheid van het oordeel van verweerder dat niet is gebleken dat eiseres wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 Vb 2000 in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Conclusie 2.20. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op meerdere punten in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb een deugdelijke motivering ontbreekt. 2.21. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. Aan het subsidiair door eiseres ingenomen standpunt komt de rechtbank niet meer toe. 2.22. Er bestaat aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn de op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1). Voorts bestaat ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht. 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 30 november 2007; - bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier en het griffierecht ad € 143,- aan eiseres dient te vergoeden; - wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden. Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier op 5 september 2008. De griffier, De rechter, Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.