
Jurisprudentie
BF1022
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802680/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802680/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 3 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [wederpartij], handelend onder de naam [Cafetaria], een boete van € 4.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Uitspraak
200802680/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2401 van de rechtbank Arnhem van 7 maart 2008 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam [Cafetaria]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [wederpartij], handelend onder de naam [Cafetaria], een boete van € 4.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 8 mei 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd waar het gaat om de hoogte van de boete, de boete vastgesteld op € 2.000,00 en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. C.M. Steemers, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 2˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.
Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.
Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder a, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.
Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.
Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.
Volgens artikel 2, voor zover thans van belang, wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.
Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.
2.2. Uit het op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 19 juni 2006 blijkt dat een vreemdeling (hierna: de vreemdeling) op 20 april 2006 werkzaamheden verrichtte in [Cafetaria] (hierna: het cafetaria) aan de [locatie] te [plaats], zonder dat voor hem een tewerkstellingsvergunning is afgegeven.
2.3. De minister klaagt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, hoewel [wederpartij] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden, hij zich redelijkerwijs in voldoende mate heeft ingespannen om deze overtreding te voorkomen, nu hij de vreemdeling heeft opgedragen geen klanten te helpen en de overtreding tot stand is gekomen door een incidentele samenloop van omstandigheden veroorzaakt door het te laat verschijnen van een medewerker. De minister betoogt in dit verband dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [wederpartij], door het cafetaria te verlaten en de vreemdeling te verzoeken om in zijn afwezigheid hierop te passen, de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav willens en wetens in het leven heeft geroepen.
2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2008 in zaak nr. 200706886/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan.
Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
2.3.2. Zoals de minister terecht betoogt, heeft [wederpartij], door het cafetaria te verlaten zonder dat zijn vaste medewerker aanwezig was en de vreemdeling hier achter te laten om in zijn afwezigheid op het cafetaria te passen, de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav veroorzaakt. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte geen betekenis gehecht aan het feit dat [wederpartij] er niet voor heeft gekozen om het cafetaria in zijn afwezigheid te sluiten. In het licht daarvan leidt de omstandigheid dat hij de vreemdeling heeft geïnstrueerd geen klanten te helpen, noch de omstandigheid dat zijn vaste medewerker te laat was, tot het oordeel dat sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid.
Het betoog slaagt.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 van de minister alsnog ongegrond verklaard.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 maart 2008 in zaak nr. 07/2401;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. De Vink
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
154-523.