
Jurisprudentie
BF1016
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800778/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800778/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, (oud) van de Wet milieubeheer.
Uitspraak
200800778/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, (oud) van de Wet milieubeheer.
Bij besluit van 19 december 2007 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2008, waar het college, vertegenwoordigd door J.C. de Goede, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De bij het bestreden besluit gehandhaafde last onder dwangsom heeft betrekking op het zonder daartoe verleende vergunning gebruiken van een hogedrukspuit in de inrichting van [appellant] op het perceel [locatie] te [plaats]. [appellant] gebruikt de hogedrukspuit om aanhangwagens en boottrailers die in zijn inrichting zijn vervaardigd en in voorraad worden gehouden ten behoeve van de verkoop, te reinigen van zand en groene aanslag.
2.2. Op 1 januari 2008 zijn het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden. In verband hiermee is voor de in de inrichting verrichte activiteiten geen vergunning meer vereist en is de bij besluit van 10 februari 1977 krachtens de Hinderwet voor de inrichting verleende vergunning vervallen.
Gelet hierop kan de bij besluit van 5 juni 2007 opgelegde last, die ziet op overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, (oud) van de Wet milieubeheer, vanaf 1 januari 2008 niet meer leiden tot verbeurte van dwangsommen. Aan de bij het besluit van 5 juni 2007 opgelegde last komt dan ook geen betekenis toe voor zover het activiteiten betreft die in 2008 of later plaatsvinden.
2.3. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer in de uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200106139/1), kan procesbelang onder meer bestaan indien appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat appellant tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van het besluit.
Ter zitting is door het college onweersproken gesteld dat vóór 1 januari 2008 geen overtredingen zijn geconstateerd waarop de last onder dwangsom ziet en dat derhalve geen dwangsommen zijn verbeurd.
[appellant] heeft niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij niettemin daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van de opgelegde last. Ook anderszins is niet gebleken dat [appellant] niettemin belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
2.4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Kuipers
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
271-579.