Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1015

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800664/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een vuurwerkopslag gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 september 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200800664/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een vuurwerkopslag gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 september 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. I.J. Woltman, advocaat te Bolsward, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C. Schoormans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door H. Regelink en M.J.H. Bastiaansen, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.2. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft geweigerd hem in het bezit te stellen van een akoestisch rapport en de aanvraag, tenzij hij een vergoeding zou betalen van € 0,65 per pagina. Volgens [appellant] betreft het processtukken, die zonder kosten in zijn bezit dienen te worden gesteld. 2.2.1. Ter zitting is gebleken dat [appellant] zijn verzoek om afschriften van de betrokken stukken heeft gedaan na het nemen van het bestreden besluit. Dit betekent dat, wat er ook zij van de weigering van het college om kosteloos stukken te verstrekken, het hierbij zou gaan om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. De beroepsgrond faalt. 2.3. [appellant] voert aan dat ten onrechte niet is onderzocht of wordt voldaan aan de veiligheidsafstand die ingevolge artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder d, in samenhang met voorschrift 1.2 van bijlage 3, onder B, van het Vuurwerkbesluit in acht dient te worden genomen tot geprojecteerd kwetsbare objecten. Nu onder kwetsbare objecten onder meer gebouwen of terreinen worden verstaan die in verband met het verrichten van arbeid worden of plegen te worden gebruikt of die daartoe bestemd zijn, is volgens [appellant], gelet op de ligging van de inrichting op het bedrijventerrein Horsa, de aanwezigheid van een dergelijk geprojecteerd kwetsbaar object niet uit te sluiten. 2.3.1. Het college betoogt dat aan de veiligheidsafstanden van het Vuurwerkbesluit wordt voldaan. 2.3.2. Ingevolge artikel 1.1.1, tweede lid, van het Vuurwerkbesluit wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder geprojecteerd kwetsbaar object verstaan: nog niet aanwezig kwetsbaar object dat op grond van het voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplan toelaatbaar is. Ingevolge artikel 4.2, tweede lid, aanhef en onder d, neemt het college van burgemeester en wethouders de in bijlage 3 gestelde afstanden in acht bij de verlening of wijziging van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Ingevolge voorschrift 1.2, onderdeel a, van bijlage 3, onder B, dient bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting, tot een kwetsbaar object en een geprojecteerd kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht te worden genomen. Ingevolge onderdeel b mag binnen de veiligheidsafstand in voorwaartse richting, het vrijwaringsgebied daaronder niet begrepen, in afwijking van onderdeel a een kwetsbaar object aanwezig zijn of geprojecteerd zijn, indien tussen de deuropening van de (buffer)bewaarplaats en dat object een scheidingsconstructie aanwezig is als daar omschreven. 2.3.3. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat binnen een afstand van 8 meter vanaf de bewaarplaats in voorwaartse richting een kwetsbaar object is geprojecteerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat aan voorschrift 1.2 van bijlage 3, onder B, van het Vuurwerkbesluit niet zou worden voldaan. De beroepsgrond faalt. 2.4. [appellant] betoogt dat het college de zonegrenswaarde niet in acht heeft genomen. Volgens [appellant] moet worden aangenomen dat het college de geluidbelasting van de verkoop van vuurwerk aan consumenten niet mede aan de zonegrenswaarde heeft getoetst, nu de verkoop van vuurwerk aan consumenten in voorschrift IV.2 wordt aangemerkt als niet-representatieve bedrijfssituatie. Gelet op de aard van de inrichting behoort de verkoop van vuurwerk volgens [appellant] echter wel tot de representatieve bedrijfssituatie, ook al gebeurt dat maar drie dagen per jaar. De betrokken geluidbelasting had daarom volgens [appellant] wel aan de zonegrenswaarde moeten worden getoetst. In dat geval wordt deze overschreden, aldus [appellant]. 2.4.1. Het college betoogt dat deze beroepsgrond de handhaving van de voorschriften betreft en daarom geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning. 2.4.2. lngevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit artikel 53 van de Wet geluidhinder. 2.4.3. Ingevolge voorschrift lV.2 mag, in afwijking van hetgeen is gesteld in voorschrift 1, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten tijdens de niet-representatieve bedrijfssituatie op de immissiepunten, zoals aangegeven op de overzichtstekening, op 5,0 meter boven maaiveld niet meer bedragen dan weergegeven in tabel 2. Met de niet-representatieve bedrijfssituatie wordt bedoeld die situatie dat er in afwijking van de representatieve bedrijfssituatie vuurwerk wordt verkocht aan consumenten (minder dan 12 dagen per jaar). 2.4.4. De inrichting bevindt zich op een industrieterrein waarvoor krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder een zone is vastgesteld. De Afdeling stelt voorop dat artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is gericht tot het bevoegd gezag, zodat deze beroepsgrond, anders dan het college stelt, betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat, wanneer de in voorschrift lV.2 geboden geluidruimte wordt meegenomen bij de toetsing aan de zonegrenswaarde, deze wordt overschreden. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. De beroepsgrond faalt. 2.5. [appellant] betoogt dat het aantal personenwagens dat de inrichting tijdens de verkoopdagen van vuurwerk aandoet aanzienlijk hoger zal zijn dan in de notitie "Aanvullende gegevens ten behoeve van geluidvoorschriften voor [vergunninghoudster]" van Tauw van 3 september 2007 is aangenomen. Voorts is volgens [appellant] de te verwachten verkeers- en parkeerhinder als gevolg van de verkoop van vuurwerk ernstig onderschat. 2.5.1. Het college betoogt dat, nu de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een beoordeling van geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting achterwege kon blijven. De door [appellant] gevreesde verkeersbelemmeringen en parkeeroverlast kunnen zich volgens het college alleen gedurende de feestdagen voordoen. Deze zijn volgens het college niet zodanig dat de vergunning hierom zou moeten worden geweigerd, of dat in verband daarmee nadere voorschriften zouden moeten worden gesteld. 2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 1997, nr. E03.96.0906, AB 1998, 29) wordt de geluidimmissie vanwege verkeersbewegingen op een openbare weg (op of buiten het industrieterrein) van en naar een inrichting op een gezoneerd industrieterrein, niet getoetst aan: a. de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden; b. de in de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 neergelegde normstelling inzake geluidhinder die wordt veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting. Wanneer dit wel zou gebeuren, zou het speciale regime van de Wet geluidhinder worden doorkruist. Gelet hierop heeft het college terecht van een zodanige toetsing afgezien. Wat het aspect belemmering van het verkeer betreft, overweegt de Afdeling dat de Wegenverkeerswet hier het primaire toetsingskader biedt. In aanmerking genomen dat ter zitting niet aannemelijk is geworden dat in de notitie van Tauw van 3 september 2007 het aantal personenwagens dat de inrichting tijdens de verkoopdagen van vuurwerk aandoet is onderschat, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verkeer van en naar de inrichting niet zodanige gevolgen voor de doorstroming van het overige verkeer dan wel parkeerhinder met zich brengt dat aan de milieuvergunning (aanvullende) voorschriften zouden moeten worden verbonden. De beroepsgronden falen. 2.6. [appellant] betoogt dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Nu het bestreden besluit is genomen voor de wijziging van de Wet milieubeheer bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke Ordening (Stb. 2008, 180), mocht het college geen regels gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening in aanmerking nemen. De beroepsgrond faalt. 2.7. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant] heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. De beroepsgronden falen. 2.8. Het beroep is ongegrond. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Kuipers lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 271-579.