
Jurisprudentie
BF1010
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800135/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800135/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) een parkeerverbod ingesteld voor de middengeleiders op de Rijkswegboulevard te Geleen en deze middengeleiders aangewezen als gelegenheid voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.
Uitspraak
200800135/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/44 van de rechtbank Maastricht van 28 november 2007 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) een parkeerverbod ingesteld voor de middengeleiders op de Rijkswegboulevard te Geleen en deze middengeleiders aangewezen als gelegenheid voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.
Bij besluit van 20 november 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] tegen het besluit van 20 november 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar [een van de appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E.J. Henselmans, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; en
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
Ingevolge artikel 5 is het een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.
2.2. Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
2.3. Met het in bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit van 1 mei 2006 waarmee voor de middengeleiders op de Rijkswegboulevard te Geleen een parkeerverbod is ingesteld en deze zijn aangewezen als gelegenheid voor het onmiddellijk laden en lossen heeft het college beoogd de verkeersveiligheid en de instandhouding van de weg te waarborgen en overlast te voorkomen.
2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het in het kader van het project Rijkswegboulevard altijd de bedoeling is geweest dat de middengeleiders overrijdbaar zouden zijn alsmede de functie van laad- en losplaats voor het onmiddellijk laden en lossen zouden krijgen en dat het college gelet op de aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW-richtlijnen), het bij besluit van 26 februari 2007 ingestelde stopverbod en het advies van de ambtelijke werkgroep verkeer in redelijkheid heeft kunnen besluiten een parkeerverbod voor de middengeleiders op de Rijkswegboulevard te Geleen in te stellen en deze aan te wijzen als gelegenheid voor het onmiddellijk laden en lossen.
2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat gelet op de CROW-richtlijnen een laad- en losstrook niet op een middengeleider maar slechts aan de rechterkant van de rijbaan mag worden geprojecteerd. Voorts betogen zij dat in een uitgebracht advies van het regionaal orgaan verkeersveiligheid Limburg (hierna: ROVL) wordt geconcludeerd dat op een middengeleider niet veilig kan worden geladen en gelost en dat de rechtbank ten onrechte aan de inhoud van dit advies voorbij is gegaan. Ten slotte betogen zij dat het project Rijkswegboulevard te Geleen in te weinig naast de rijbaan gelegen parkeerplaatsen voorziet en dat de gerealiseerde parkeerplaatsen niet aan de CROW-richtlijnen voldoen.
2.6. Het betoog dat het project in te weinig parkeerplaatsen langs de Rijkswegboulevard in Geleen voorziet en dat de gerealiseerde parkeerplaatsen niet aan de CROW-richtlijnen voldoen, kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak omdat het bij de rechtbank bestreden besluit van 20 november 2006 daarop geen betrekking heeft.
2.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 10 januari 2007 in zaak nr. 200605125/1 (www.raadvanstate.nl) komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van zo'n besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit is kunnen komen.
2.8. Het college heeft in het verweerschrift betoogd dat de CROW-richtlijnen slechts bestaan uit aanbevelingen. Omdat deze richtlijnen geen aanbevelingen bevatten voor de inrichting en het gebruik van middengeleiders, heeft het college aansluiting gezocht bij de aanbevelingen voor evenwijdig aan de wegas liggende laad- en loshavens (11.1.9 en 12.2.23) omdat die situatie het beste met een middengeleider vergelijkbaar is.
2.9. De Afdeling oordeelt als volgt. De rechtbank heeft, nu de CROW-richtlijnen geen aanbevelingen bevatten voor de inrichting van middengeleiders, in het aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid aansluiting heeft mogen zoeken bij de in de CROW-richtlijnen opgenomen aanbevelingen voor evenwijdig aan de wegas liggende laad- en loshavens. Bij een wegasbreedte van 3 meter bevelen de CROW-richtlijnen een breedte van een laad- en loshaven van tenminste 2,50 meter aan.
Het ROVL-advies acht de middengeleider te smal als laad- en loshaven omdat vrachtauto's, exclusief spiegels en bevestigingspunten, 2,55 meter breed mogen zijn. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank aan dit advies voorbij is gegaan. Bij verkeersbesluit van 26 februari 2007 heeft het college een stopverbod ingesteld voor gedeeltes van de Rijkswegboulevard te Geleen, waar de middengeleider smaller is dan 2,50 meter teneinde tegen te gaan dat wordt geladen en gelost op plaatsen waar de middengeleider smaller is. Niet in geschil is dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
Door in de aangevallen uitspraak naar het bij besluit van 26 februari 2007 ingestelde stopverbod te verwijzen en te overwegen dat het bepaalde in artikel 5 van de WVW 1994 in acht moet worden genomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank aan de inhoud van het ROVL-advies voorbij is gegaan.
2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.
w.g. Mouton w.g. Graat
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
307.