Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1009

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800119/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het verbouwen van een bestaande stal tot een ijsmakerij en verkoopruimte op het perceel [locatie] te Valkenswaard (hierna: het perceel).


Uitspraak

200800119/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Valkenswaard, tegen de uitspraak in zaak nr. 07/32 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 november 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het verbouwen van een bestaande stal tot een ijsmakerij en verkoopruimte op het perceel [locatie] te Valkenswaard (hierna: het perceel). Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 november 2007, verzonden op 27 november 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2008. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.M.L. Josten, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. van Doornik, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Op grond van het ter plaatse als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in hoofdzaken" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebruik III". Ingevolge het bestemmingsplan mogen op de als zodanig bestemde gronden worden opgericht: Woningen en andere gebouwen uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Ingevolge het bestemmingsplan is een agrarisch bedrijf een landbouwbedrijf, tuinbouwbedrijf of een gemengd land- en tuinbouwbedrijf, bestaande uit een woning met aangebouwde of vrijstaande stallen en/of schuren, kennelijk voor agrarische doeleinden bestemd, ingedeeld en architectonisch behandeld. 2.2. Op het perceel is een melk- en pluimveehouderij gevestigd waarbij als nevenactiviteit ijs wordt bereid en verkocht en voorts de verkoop van eieren en vlees en het geven van uitleg over de werking van een agrarisch bedrijf plaatsvindt. Het bouwplan ziet op het verbouwen van een bestaande stal tot een ijsmakerij en verkoopruimte. 2.3. Allereerst kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog dat een ijsmakerij niet in strijd is met het bestemmingsplan omdat daarin geen gebruiksbepalingen zijn opgenomen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en daarvoor bouwvergunning kan worden verleend niet relevant is of het bestemmingsplan gebruiksverboden bevat. Voor de beantwoording van de vraag of voor een bouwplan al dan niet bouwvergunning kan worden verleend, zijn uitsluitend de planbepalingen die betrekking hebben op bouwen van belang. 2.4. [appellant] betoogt voorts dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hiertoe voert hij aan dat de productie en verkoop van ijs zijn aan te merken als een ondergeschikte nevenactiviteit die op grond van het bestemmingsplan is toegelaten. Volgens [appellant] heeft het college daar eveneens mee ingestemd door bij brief van 7 december 1998 aan te geven dat de bewerking/verwerking en/of detailhandel in zelfvoortgebrachte producten tot de agrarische bedrijfsvoering wordt gerekend. 2.4.1. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de productie en verkoop van ijs geen activiteit ten behoeve van het agrarisch bedrijf betreffen en dat gelet op de omvang en de ruimtelijke uitstraling daarvan geen sprake is van een ondergeschikte nevenactiviteit. Uit de winst- en verliesrekening van 2004 blijkt dat in dat jaar een omzet van ongeveer € 62.000,00 en een winst van ongeveer € 20.000,00 is behaald met de niet-agrarische bedrijfsvoering. Aan het gegeven dat de omzet van de ijsmakerij in 2004 27 procent bedroeg van de totale omzet van het bedrijf en daarmee ondergeschikt is aan de omzet van het agrarisch bedrijf komt niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wil zien. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat sprake is van een substantieel deel van de inkomsten. Nu het bouwplan ziet op de realisering van een ijsmakerij en verkoopruimte in een bestaande stal zal de omvang van de niet-agrarische activiteiten toenemen. De stelling van [appellant] dat hij de agrarische activiteiten eveneens gaat uitbreiden doet aan het voorgaande niet af, nu dat niet tot gevolg heeft dat de omvang van de niet-agrarische activiteiten afneemt. 2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te verlenen voor het bouwplan. 2.5.1. Dit betoog faalt. Aan de weigering vrijstelling te verlenen heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet overeenstemt met de beleidsregels die door de gemeenteraad op 28 augustus 2003 zijn vastgesteld ten behoeve van de toepassing van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Ingevolge dat beleid wordt vrijstelling slechts verleend indien sprake is van urgentie of maatschappelijke nut. Door [appellant] is niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Anders dan [appellant] stelt, betreft dit wel een inhoudelijke beoordeling van het verzoek vrijstelling te verlenen, nu in dit beleid reeds een inhoudelijke afweging is gemaakt ten aanzien van de vraag in welk geval toepassing wordt gegeven aan de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Voorts heeft het college er op gewezen dat het perceel onderdeel uitmaakt van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Valkenswaard-Zuid". Het college wenst, in plaats van door middel van de verlening van vrijstelling, door middel van een integrale afweging tot een nieuw planologisch regime te komen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college op basis van het voorgaande zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen voor het bouwplan geen vrijstelling te verlenen. De stelling van [appellant] dat ingevolge het Reconstructieplan Boven-Dommel de verkoop van ijs op het perceel wel zou zijn toegelaten, maakt, wat daar ook van zij, dan niet anders. De Gebiedsvisie Valkenswaard-Zuid uit 2001 doet evenmin aan het voorgaande af, nu het beleid voor toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO daarna is vastgesteld. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Van Heusden lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 163-552.