
Jurisprudentie
BF1008
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708382/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708382/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij afzonderlijke besluiten van 28 augustus 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (thans: de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; hierna: de staatssecretaris) de subsidies voor de projecten "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" en "Arcus College VSV 2001-2002" op nihil vastgesteld.
Uitspraak
200708382/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting Stichting Arcus College, gevestigd te Heerlen,
appellante,
tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/2511 en 06/2512 van de rechtbank Maastricht van 23 oktober 2007 in de gedingen tussen:
de stichting Stichting Arcus College
en
de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
1. Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 28 augustus 2003 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (thans: de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; hierna: de staatssecretaris) de subsidies voor de projecten "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" en "Arcus College VSV 2001-2002" op nihil vastgesteld.
Bij besluit van 17 mei 2006 heeft de staatssecretaris die besluiten ingetrokken en de subsidies voor beide projecten opnieuw op nihil vastgesteld.
Bij besluiten van 3 november 2006, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris de door de Stichting Arcus College (hierna: de Stichting) tegen het besluit van 17 mei 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door de Stichting daartegen ingestelde beroep (lees: de daartegen door de Stichting ingestelde beroepen) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2007, hoger beroep ingesteld.
De Stichting heeft een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.J.F.A. Engels, vergezeld door H.J.M.G. Geurten, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.W. Mulder, medewerker van Centrale Financiën Instellingen, agentschap van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Wet overige OCenW-subsidies kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) subsidie verstrekken voor activiteiten die passen in het regeringsbeleid inzake het onderwijs.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, verstrekt de minister slechts subsidie op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling, tenzij het een subsidie betreft:
a. als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), of
b. waarvan de voorgenomen verstrekking tevoren is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald, alsmede de criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.
Ingevolge het derde lid, aanhef en onder e, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de verplichtingen van de subsidieontvanger.
2.2. De gelden die worden verstrekt op grond van de Subsidieregeling ESF-3 (Europees Sociaal Fonds) voor onderwijsinstellingen 2000-2006 (Uitleg gele katern van 27 februari 2002, nummer 4, p. 8 en verder; hierna: de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen), zoals in deze zaak aan de orde is, zijn afkomstig uit het Europees Sociaal Fonds, één van de structuurfondsen van de Europese Gemeenschappen. Dit Fonds vindt zijn grondslag in de artikelen 146 en 158 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-verdrag). Op grond van artikel 158 van het EG-Verdrag wordt onder meer het Europees Sociaal Fonds ingezet bij het voeren van een Europese structuurpolitiek. Op grond van artikel 161 van het EG-verdrag is de Verordening nr. 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (Pb EG 1999 L 161/1) vastgesteld, waarin de hoofdlijnen van het structuurfondsenbeleid zijn neergelegd. Ten aanzien van het Europees Sociaal Fonds is de Verordening nr. 1784/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999 vastgesteld (Pb EG 1999 L 213/5). Onder verwijzing naar de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (C(2000)1127) van 8 augustus 2000, waarbij de Commissie het Enig Programmerings Document voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de in Nederland onder doelstelling 3 vallende regio's heeft goedgekeurd voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006, heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloten tot vaststelling van de Subsidieregeling ESF-3.
Onder verwijzing naar artikel 4, eerste lid, van de Wet overige OCenW-subsidies heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap nadere regels vastgesteld omtrent de besteding van de middelen die in het kader van de Subsidieregeling ESF-3 aan hem door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter beschikking worden gesteld. Deze nadere regels zijn neergelegd in de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen.
2.3. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling
ESF-3 voor onderwijsinstellingen, zoals deze regeling luidde ten tijde hier van belang, verleent de minister op aanvraag projectsubsidie aan aanvragers van projecten met betrekking tot de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten.
Ingevolge die aanhef en onder b, verleent de minister op aanvraag projectsubsidie aan aanvragers van projecten met betrekking tot versterking van de beroepsbegeleidende leerweg.
Ingevolge artikel 6, tweede lid, is een project bestrijding voortijdig schoolverlaten gericht op deelnemers die:
a. de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt,
b. voor wie naar het oordeel van de instelling een verhoogd risico van voortijdig schoolverlaten bestaat indien voor hen geen extra activiteiten worden ondernomen,
c. die aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a of b van de WEB in de beroepsopleidende leerweg,
d. die ongediplomeerd zijn dan wel slechts in het bezit zijn van een diploma voorbereidend beroepsonderwijs verkregen op grond van een eindexamen waarbij één of meer vakken volgens het A-programma, vier of meer vakken volgens het B-programma zijn geëxamineerd of in het bezit zijn van een getuigschrift basisberoepsgerichte leerweg vmbo, en niet in het bezit zijn van een overgangsbewijs van het derde naar het vierde leerjaar HAVO/VWO, en
e. die door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project en aangemeld bij 'het Regionale Meld- en Coördinatiefunctie-meldpunt (hierna: het RMC)'.
Ingevolgde het derde lid, is een project versterking beroepsbegeleidende leerweg gericht op deelnemers die:
a. naar het oordeel van de aanvrager daadwerkelijk extra ondersteuningsactiviteiten nodig hebben om aan de beroepsbegeleidende leerweg te kunnen deelnemen,
b. aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a of b van de WEB in de beroepsopleidende leerweg,
c. niet in het bezit zijn van tenminste een startkwalificatie en
d. door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, dient de aanvrager een inzichtelijke en controleerbare deelnemersadministratie en een financiële administratie met betrekking tot het project en een administratie van de ontvangen en te ontvangen subsidie per deelnemer bij te houden of te doen bijhouden.
Ingevolge het tweede lid geeft de deelnemersadministratie inzicht in de geplande en gerealiseerde deelnemersprestaties, bedoeld in artikel 4.
Ingevolge het vijfde lid worden bij de vastlegging van de gegevens in ieder geval de eisen in acht genomen die in bijlage 2 bij dit besluit ter zake worden gesteld.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, dient een aanvrager binnen twee maanden na beëindiging van het project een verzoek tot subsidievaststelling in door overlegging van een eindrapportage die een beschrijving geeft van de realisatie van het project in relatie tot de projectbeschrijving, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
Ingevolge het tweede lid wordt de eindrapportage, waarvan het verzoek tot subsidievaststelling deel uitmaakt, ingediend met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en is zij voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig het als bijlage 3 bij deze regeling gevoegde model.
Ingevolge het derde lid bevat de accountantsverklaring tevens een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, treedt deze regeling in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt en werkt zij, met inachtneming van het tweede lid, terug tot en met 1 augustus 2001.
In Bijlage 2 van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen is met betrekking tot de vast te leggen gegevens per project onder meer de eis opgenomen dat per deelnemer een intakeformulier aanwezig dient te zijn waaruit blijkt dat de deelnemer voldoet aan de kenmerken zoals opgenomen in artikel 6 en waarin de activiteiten worden opgenomen die voor de deelnemer worden ondernomen.
2.4. Bij het besluit van 17 mei 2006, zoals gehandhaafd bij de besluiten van 3 november 2006, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de Stichting voor de projecten "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" en "Arcus College VSV 2001-2002" niet heeft voldaan aan het gestelde in de regelgeving inzake het voeren van een deelnemersadministratie die aan de ESF-eisen voldeed en daarom de subsidie voor beide projecten op nihil vastgesteld. Daaraan heeft de staatssecretaris met betrekking tot het project "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" ten grondslag gelegd dat het de stichting weliswaar was toegestaan eigen formulieren te gebruiken, maar dat de door haar gebruikte intakeformulieren niet de gegevens bevatten als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen, gelezen in verbinding met bijlage 2 van die regeling, zoals deze ook zijn vervat in het hiervoor ontwikkelde D(eelnemers)R(egistratie)S(ysteem)-intakeformulier. Zo ontbreken op de door de Stichting gehanteerde eigen formulieren volgens de staatssecretaris onder andere de ESF thema's waaraan de deelnemer gaat deelnemen, een beschrijving van de extra inspanningen die de Stichting ten behoeve van de ESF-deelnemer zou gaan leveren, de beschrijving van de extra inspanningen en taken door de deelnemer te leveren en de beschrijving van wat het resultaat zou zijn als de extra inspanningen niet geleverd worden. Met betrekking tot het project "Arcus College VSV 2001-2002" heeft de staatssecretaris overwogen dat de deelnemers door de Stichting niet aan het begin van het project zijn gemeld bij het RMC.
2.5. De Stichting komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat, nu niet is voldaan aan de eisen die gelden voor de projectadministratie, de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten de subsidie voor de projecten "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" en "Arcus College VSV 2001-2002" op nihil vast te stellen.
2.5.1. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de Stichting met betrekking tot het project "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" in strijd heeft gehandeld met artikel 11, vijfde lid, gelezen in verbinding met bijlage 2, van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen. In hoger beroep is dit punt als zodanig verder niet in geschil.
2.5.2. Het betoog van de Stichting dat zij ten tijde van de projecten niet bekend was of kon zijn met de administratieve verplichtingen, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 18 april 2007 in zaak nr. 200605049/1, waarbij de rechtbank terecht heeft aangesloten, is in dat verband van belang dat de Stichting ervoor heeft gekozen in augustus 2001 activiteiten te ontplooien waarvoor naar haar bekend was pas achteraf, op grond van de later op 8 februari 2002 in werking getreden Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen, subsidie zou kunnen worden verleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat gelet op die omstandigheid van de Stichting mocht worden verwacht dat zij zich bij de uitvoering van die activiteiten had vergewist van de verplichtingen die voor het verkrijgen van subsidie zouden gaan gelden.
Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Stichting van het bestaan van een intakeformulier en van de inhoud daarvan op de hoogte was, althans daarvan op de hoogte had kunnen en moeten zijn. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat sinds september 2000 een conceptversie 'Administratieve Organisatie van een ESF-project' bestond, die aan de Stichting ter beschikking was gesteld. Voorts was sinds februari 2001 een voorbeeld-intakeformulier opgenomen in het aan de Stichting ter beschikking gestelde programma DRS. De Afdeling is met de rechtbank dan ook van oordeel dat de Stichting hieruit had kunnen afleiden welke verplichtingen op grond van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen voor het project "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" zouden gaan gelden.
2.5.3. Uit artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen volgt dat voor het project "Arcus College VSV 2001-2002", dat ten doel heeft voortijdig schoolverlaten te bestrijden, aanmelding van de deelnemers aan dat project bij het RMC, vereist is. Aan deze verplichting dient naar haar aard te zijn voldaan bij aanvang van het project. Ter zitting bij de Afdeling heeft de Stichting desgevraagd erkend dat de deelnemers aan dit project niet bij aanvang ervan waren aangemeld bij het RMC. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat de Stichting door op voorlichtingsbijeenkomsten verstrekte informatie op de hoogte kon zijn van die verplichting en de staatssecretaris zich voorts terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de eisen die ingevolge de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen aan de projectadministratie worden gesteld strikt de hand dient te worden gehouden faalt het betoog van de Stichting dat haar ten onrechte is tegengeworpen dat zij de deelnemers aan dit project niet tijdig heeft gemeld bij het RMC.
2.5.4. Het betoog van de Stichting dat zij op grond van de afgegeven goedkeurende accountantsverklaringen door KPMG, erop mocht vertrouwen dat de subsidieregels in voldoende mate waren nageleefd, faalt evenzeer. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 18 april 2007 heeft overwogen, betekent de in artikel 13, tweede lid, van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen neergelegde verplichting om de eindrapportage te voorzien van een verklaring van een accountant en de omstandigheid dat ingevolge het derde lid van dat artikel de accountantsverklaring tevens een oordeel bevat over de naleving van de subsidieverplichtingen door de subsidieontvanger, niet dat aan deze verklaring doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. De subsidievaststelling geschiedt door de staatssecretaris en in dat kader is hij bevoegd om te beoordelen of de subsidieontvanger aan de subsidieverplichtingen heeft voldaan. Gelet hierop valt niet in te zien dat hij daarbij niet zou mogen afwijken van het standpunt van de door de subsidieontvanger ingeschakelde accountant. Nu is komen vast te staan dat de Stichting met betrekking tot de projecten "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" en "Arcus College VSV 2001-2002" niet heeft voldaan aan het gestelde in de regelgeving inzake het voeren van een deelnemersadministratie die aan de ESF-eisen voldoet, is de rechtbank, anders dan de Stichting heeft betoogd, in zoverre terecht aan de accountantsverklaringen voorbij gegaan.
2.5.5. Gelet op het hiervoor overwogene, is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de eisen die gelden voor de projectadministratie van de projecten "BBL-kappen Arcus College / KOC Nederland" en "Arcus College VSV 2001-2002" zodat hij in redelijkheid bij afweging van de betrokken belangen de subsidies op nihil heeft kunnen vaststellen.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
18-502.