
Jurisprudentie
BF1006
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801629/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801629/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het [bedrijf] op het perceel [locatie] te Almelo afgewezen.
Uitspraak
200801629/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te Almelo,
en
het college van burgemeester en wethouders van Almelo,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het [bedrijf] op het perceel [locatie] te Almelo afgewezen.
Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door M. de Wever, werkzaam voor de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een belanghebbende aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.
Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.
2.2. [appellanten] betogen, voor zover hier van belang, dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert nu het standpunt van het college dat de geluidvoorschriften niet worden overschreden niet wordt onderbouwd met metingen. Ook anderszins heeft het college huns inziens onvoldoende aandacht besteed aan hun klachten.
2.3. Het college heeft zich in navolging van de commissie van advies voor de bezwaarschriften op het standpunt gesteld dat aan de hand van de controleresultaten niet is gebleken dat er sprake is van overtreding van de geldende voorschriften. Omdat er tijdens de controles werd gewerkt terwijl de deuren van de werkplaats gesloten waren, was volgens het college op voorhand duidelijk dat de geluidvoorschriften niet werden overtreden en hebben er geen geluidmetingen plaatsgevonden.
2.4. Als vaststaand kan worden aangenomen dat het [bedrijf] een Type B-inrichting is als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Dit betekent dat [bedrijf] onder meer is gehouden aan de geluidgrenswaarden die zijn neergelegd in de artikelen 2.17 en volgende van het Activiteitenbesluit en aan de trillingnormen die voortvloeien uit artikel 2.23 van het Activiteitenbesluit. Daarnaast is [bedrijf] gehouden aan artikel 4.84, waarin een verbod is neergelegd op proefdraaien in de buitenlucht en eisen zijn gesteld ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder.
Ter zitting is naar voren gekomen dat omwonenden van de inrichting, onder wie [appellanten], sedert 2001 met een zekere regelmaat klachten bij de gemeente indienen inzake overlast van de inrichting. Volgens [appellanten] doet zich in het bijzonder overlast voor op momenten waarop met open deuren wordt gewerkt. Tevens zou hinder worden veroorzaakt wanneer voertuigen vanaf de openbare weg de meteen achter de toegang tot de inrichting gelegen brug oprijden. In de visie van [appellanten] zou dit laatste grotendeels voorkomen kunnen worden door het plaatsen van rubberen isolatiemateriaal.
2.4.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het college naar aanleiding van klachten van omwonenden, waaronder het verzoek om handhaving dat heeft geleid tot het besluit van 22 mei 2007, een aantal controles uitgevoerd. Bij die controles bleek binnen de inrichting met gesloten deuren te worden gewerkt. Volgens [appellanten] komt het echter geregeld voor, vooral bij warm weer, dat met open deuren wordt gewerkt. Er worden evenwel niet onmiddellijk toezichthouders gestuurd wanneer op de desbetreffende momenten contact wordt opgenomen met de gemeente, aldus [appellanten].
Gelet op het jarenlange klachtenpatroon had het naar het oordeel van de Afdeling op de weg van het college gelegen om gedegen te onderzoeken of het voorkomt dat met geopende deuren wordt gewerkt en zo ja, te meten wat onder die omstandigheden de geluidbelasting is. Daartoe is het noodzakelijk dat bij serieuze klachten in beginsel onverwijld toezichthouders naar de inrichting worden gezonden. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet het er echter voor worden gehouden dat het college niet op deze wijze te werk is gegaan. Naar het oordeel van de Afdeling had het voorts op de weg van het college gelegen metingen te laten verrichten op het moment dat een voertuig de brug oprijdt, aangezien moet worden aangenomen dat deze manoeuvre niet met gesloten deuren kan worden uitgevoerd en het denkbaar is dat hierdoor overschrijding van de geluidgrenswaarden plaatsvindt. Ook in dit opzicht is het onderzoek van het college tekort geschoten.
2.4.2. Gelet op het vorenstaande heeft het college in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht nagelaten ter voorbereiding van het bestreden besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.
2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 24 januari 2008 komt voor vernietiging in aanmerking.
2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 24 januari 2008, kenmerk 2008/325;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almelo tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Almelo aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
IV. gelast dat de gemeente Almelo aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Sparreboom
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
195-209.