Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1003

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708588/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 20 november 2007, kenmerk 2007/0566839, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ommen (hierna: de raad) bij besluit van 29 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Ommen-Zuid".


Uitspraak

200708588/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], [gemeente] 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2007, kenmerk 2007/0566839, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ommen (hierna: de raad) bij besluit van 29 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Ommen-Zuid". Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep van [appellant sub 1] zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2008. De gronden van het beroep van [appellant sub 2] zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2008. De gronden van het beroep van [appellant sub 3] zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2008. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders van Ommen (hierna: burgemeester en wethouders) namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 3] heeft samen met [derde-belanghebbende] en drie andere omwonenden een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2008, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. D. Pool, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. S. Hoogenkamp, ambtenaar in dienst van de gemeente, en drs. A. Jager, werkzaam bij stedenbouwkundig adviesbureau SAB te Arnhem, als partij en [derde-belanghebbende], als derde-belanghebbende gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. 2.2. Het plan voorziet in een actualisering van de bestaande planologische regelingen voor het gebied Ommen-Zuid en is overwegend consoliderend van aard. Daarnaast biedt het plan de mogelijkheid om vier woningen te bouwen, onder meer op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ambt Ommen, sectie L, nummer 298 (hierna perceel 298). Het beroep van [appellant sub 1] heeft betrekking op het perceel achter de Wolfskuillaan 13, kadastraal bekend gemeente Ambt Ommen, sectie L, nummer 270 (hierna: perceel 270). De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben betrekking op perceel 298, gelegen direct ten zuiden van de Wolfskuillaan 13. 2.3. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat zij ten onrechte niet zijn uitgenodigd om in de raadscommissievergadering hun zienswijze mondeling toe te lichten. De omstandigheid dat zij de zienswijze met drie personen hebben ondertekend, betekent huns inziens niet dat kon worden volstaan met een uitnodiging van de eerste ondertekenaar, [derde-belanghebbende], omdat hij de zienswijze niet namens hen had ingediend. 2.3.1. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben samen met [derde-belanghebbende] een zienswijze ingediend. De zienswijze bevat de namen, adressen en handtekeningen van de drie indieners. De uitnodiging voor de raadscommissievergadering met de informatie over het spreekrecht is gericht aan [derde-belanghebbende] en aan zijn adres verzonden. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de raad in dit geval kon volstaan met het aanschrijven van de eerste ondertekenaar en er daarbij van mogen uitgaan dat deze zijn medeondertekenaars op de hoogte zou brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet. 2.4. [appellant sub 2] voert verder aan dat het advies van de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (hierna: PCFL) ten onrechte niet is meegezonden met het bestreden besluit, hetgeen zijns inziens in strijd is met de WRO en de Awb. Tevens is hem ten onrechte geen mogelijkheid geboden om op dit advies te reageren en heeft ten onrechte geen hoorzitting plaatsgevonden om de reactie mondeling toe te lichten, aldus [appellant sub 2]. Artikel 28 van de WRO noch enige andere bepaling van de WRO dan wel de Awb bevat een voorschrift dat het college ertoe verplicht een advies van de PCFL met het bestreden besluit mee te sturen. Uit de WRO, de Awb noch anderszins vloeit voorts de verplichting voort gelegenheid te bieden tot het geven van een schriftelijke reactie en mondelinge toelichting op een dergelijk advies. Deze beroepsgrond faalt derhalve. 2.5. [appellant sub 3] betoogt dat het flora- en faunaonderzoek ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen met het ontwerp-bestemmingsplan. Uit de stukken blijkt dat het flora- en faunaonderzoek dateert van 15 december 2005 en dat het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen vanaf 23 februari tot en met 5 april 2006. Verder wordt in paragraaf 4.4 van de plantoelichting ingegaan op de uitkomsten van het verrichte flora- en faunaonderzoek. Ter zitting is namens de raad gesteld en door [appellant sub 3] erkend, dat het flora- en faunaonderzoek met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen. [appellant sub 3] is derhalve in de gelegenheid geweest om een zienswijze daartegen in te dienen. Het beroep mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag. 2.6. [appellant sub 2] voert aan dat de voorste bebouwingsgrens van perceel 298 gewijzigd is ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan en deze rooilijn nu 6 meter dichter bij de openbare weg ligt. Daarbij betoogt hij dat het college zijn bedenking over het gewijzigd vaststellen van de rooilijn ten onrechte heeft afgedaan met een enkele verwijzing naar de gemeentelijke Nota van zienswijzen en aldus het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. 2.6.1. Het college stelt in het bestreden besluit dat de rooilijn van perceel 298 gewijzigd is vastgesteld naar aanleiding van een ingediende zienswijze. Ter motivering van de wijziging van de rooilijn verwijst het college naar de reactie van burgemeester en wethouders in de Nota van zienswijzen ten aanzien van de ingediende zienswijze onder punt 12 door [indiener]. 2.6.2. De Afdeling constateert dat de zienswijze die is ingediend door [indiener] geen betrekking heeft op de voorste bebouwingsgrens van perceel 298, maar ziet op de strook bos naast perceel 298 en op de wijziging van het bouwvlak van het perceel aan de Hammerweg 38. [appellant sub 2] betoogt derhalve terecht dat het college in het bestreden besluit ter motivering ten onrechte heeft volstaan met een enkele verwijzing naar de ingediende zienswijze onder 12 in de Nota van zienswijzen. Dit betoog leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Anders dan het college stelt, is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de desbetreffende bebouwingsgrens in het vastgestelde plan niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan. In zoverre mist het beroep dan ook feitelijke grondslag. Nu de verschuiving van de rooilijn van perceel 298 reeds in het ontwerp-bestemmingsplan was opgenomen, is [appellant sub 2] in de gelegenheid geweest om daarvan kennis te nemen en heeft hij nagelaten om een zienswijze met betrekking tot de rooilijn van perceel 298 in te dienen. 2.7. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het college het vaststellingsbesluit van de raad te summier heeft beoordeeld, de ingediende bedenkingen onvoldoende inhoudelijk heeft beoordeeld en ten onrechte niet heeft onderzocht of het plan al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling is van oordeel dat het college de ingebrachte bedenkingen voldoende gemotiveerd heeft weerlegd en in voldoende mate heeft getoetst of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze beroepsgrond slaagt niet. 2.8. [appellant sub 1], eigenaar van perceel 270, betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een woonbestemming voor dit achter Wolfskuillaan 13 gelegen perceel. Zijns inziens heeft het perceel ten onrechte de bestemming "Bos" gekregen, op de grond dat op het perceel feitelijk bos aanwezig is. Hij voert aan dat ontsluiting van het perceel reëel mogelijk is en dat de omstandigheden dat het perceel volledig is omsloten door bebouwing en niet direct grenst aan de openbare weg, voor vrijwel alle dan wel een groot aantal van de reeds gerealiseerde woningen in de omgeving gelden. 2.8.1. Het college heeft geconstateerd dat sprake is van een volledig door bebouwing omsloten perceel waarop feitelijk bos aanwezig is en dat niet direct aan een openbare weg grenst, en heeft zich op grond hiervan op het standpunt gesteld dat, gelet op de ligging van het perceel in relatie tot de stedenbouwkundige verkaveling en de aanwezigheid van bos, het gemeentebestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen woonbestemming toe te kennen. 2.8.2. Het college heeft terecht geconstateerd dat het perceel van [appellant sub 1], dat feitelijk uit bos bestaat, geheel is omsloten door bestaande woningen aan de Wolfskuillaan, het Falkenburgerf dan wel de Hammerweg en daarmee niet direct aan een openbare weg grenst, zodat het perceel geen goede ontsluiting heeft. Het college heeft zich gelet op deze omstandigheden en de bestaande feitelijke situatie in navolging van het gemeentebestuur in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een woonbestemming aan het perceel niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dat, zoals [appellant sub 1] stelt, van de kant van de gemeente is toegezegd dat het perceel een woonbestemming zou krijgen, wordt door het gemeentebestuur ontkend. De Afdeling concludeert dat [appellant sub 1] het bestaan van een dergelijke toezegging niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat niet kan worden geoordeeld dat de bestemming "Bos" in strijd met het vertrouwensbeginsel aan het perceel van [appellant sub 1] is toegekend. 2.9. Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de woonbestemming die is toegekend aan het perceel 298. [appellant sub 2] woont tegenover dit perceel. Hij voert aan dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom aan sommige percelen in het plangebied een woonbestemming is toegekend en aan andere percelen niet. In dit verband heeft hij er tevens op gewezen dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat geen beroep mogelijk is op het gelijkheidsbeginsel, nu hij op dit beginsel geen beroep heeft gedaan. 2.9.1. In paragraaf 2.4 en hoofdstuk 4 van de plantoelichting is uiteengezet op grond waarvan een beperkt aantal nieuwe woonbestemmingen in het plan is opgenomen en waarom hiervan ten aanzien van andere percelen is afgezien. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, gelet hierop, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de stukken de aanvaardbaarheid van het projecteren van nieuwe woonbestemmingen voldoende is gemotiveerd en eveneens voldoende is duidelijk gemaakt waarom in andere situaties geen nieuwe woonbestemmingen zijn gelegd. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. 2.10. Het beroep van [appellant sub 3] is eveneens gericht tegen de woonbestemming die is toegekend aan het perceel 298. [appellant sub 3] woont aan Wolfskuillaan [nr], net ten noorden van dit perceel. Hij voert aan dat de goedkeuring door het college onterecht is en de aanduiding 'nieuwe woning' in tegenspraak met de overwegingen van het goedkeuringsbesluit met betrekking tot recreatiewoningen. Het college spreekt daar immers over het handhaven van bos en van ongewenste verdere verstening, aldus [appellant sub 3]. Verder is volgens [appellant sub 3] sprake van willekeur nu op het perceel 270 bestaand bos gehandhaafd blijft en op perceel 298 bestaand bos een woonbestemming heeft gekregen. 2.10.1. De Afdeling stelt vast dat de door [appellant sub 3] bedoelde bewoordingen in het goedkeuringsbesluit betrekking hebben op bestaande recreatiewoningen die zijn gelegen in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (hierna: PEHS) en in volgens het bestemmingsplan te handhaven bos. Die situatie is niet op één lijn te stellen met de situatie met betrekking tot perceel 298 waar sprake is van één nieuw te realiseren woning buiten de PEHS in een rij bestaande woningen, op een perceel dat in het vorige plan gedeeltelijk de bestemming "Tuin" en gedeeltelijk de bestemming "Woondoeleinden" (zonder bouwvlak) heeft. De Afdeling volgt [appellant sub 3] dan ook niet in zijn betoog dat het goedkeuringsbesluit innerlijk tegenstrijdig is. Zoals hiervoor is overwogen onder 2.9.1., heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de stukken de aanvaardbaarheid van het projecteren van de nieuwe woonbestemmingen voldoende is gemotiveerd en eveneens voldoende is duidelijk gemaakt waarom in andere situaties, zoals in de situatie met betrekking tot het achter Wolfskuillaan 13 gelegen perceel, geen nieuwe woonbestemmingen zijn gelegd. Overigens wordt de bestemming "Bos" voor het laatstgenoemde perceel door [appellant sub 3] niet bestreden. 2.11. [appellant sub 3] voert verder aan dat de bestemming "Woondoeleinden" voor het perceel 298 niet uitvoerbaar is. Perceel 298 biedt zijns inziens onvoldoende ruimte voor een woning, de ritmiek in de bouwmassa wordt aangetast, evenals de open ruimte tussen de bebouwing. Verder moet voor de bouw van de woning bestaand bos worden gekapt, hetgeen de bosrijke structuur aantast, en waardoor ten onrechte wordt gesproken over stedenbouwkundige afronding. Het kappen van de bomen heeft volgens [appellant sub 3] verder tot gevolg dat de overblijvende bomen geen beschutting meer ondervinden en bij storm een bedreiging vormen voor zijn woning en vooral voor de serre van zijn woning. Het kappen van de bomen heeft tevens negatieve gevolgen voor het leefgebied van de eekhoorn en de bosuil. 2.11.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de geprojecteerde woning deel zal uitmaken van een rij woningen en om die reden stedenbouwkundig aanvaardbaar is. De maximale goothoogte en maximale bouwhoogte van de woning zijn blijkens de bouwvoorschriften minder dan die van vrijwel alle omliggende woningen, waaronder de naastgelegen woning van [appellant sub 3]. Voorts bevindt zich tussen perceel 298 en het perceel van [appellant sub 3] een strook van tien meter met de bestemming "Bos". Onder deze omstandigheden heeft het college zich in navolging van het gemeentebestuur in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de locatie ten aanzien van perceel 298 voldoende ruim is. 2.11.2. [appellant sub 3] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat na de bouw van een woning op perceel 298, de verminderde beschutting voor de resterende bomen op dit perceel zal leiden tot een zodanige toename van het risico dat deze bomen zullen omwaaien dat geen sprake meer is van een goede ruimtelijke ordening en het college om die reden in redelijkheid geen goedkeuring aan dit plandeel had kunnen verlenen. 2.11.3. Met betrekking tot de flora en fauna op perceel 298 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen bijzondere waarden in het plangebied zijn aangetroffen die aan de realisering van de nieuw te bouwen woning in de weg staan. Hierbij heeft het college verwezen naar in opdracht van de gemeente verricht onderzoek. 2.11.3.1. In opdracht van de raad is door SAB Arnhem onderzoek gedaan naar de gevolgen van woningbouw voor de aanwezige flora en fauna in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Toetsingsrapport flora en fauna. Woningbouwlocaties te Ommen-Zuid' van 15 december 2005. In het rapport wordt geconstateerd dat ter plaatse algemeen voorkomende vogelsoorten zullen voorkomen en dat het gebied mogelijk deel uitmaakt van het leefgebied van de eekhoorn, maar dat nesten niet zijn waargenomen. Bijzondere natuurwaarden zijn niet aangetroffen. Het handhaven van de boomrijke structuur wordt gewenst geacht, maar de boscompensatieplicht is niet van toepassing. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van de aanwezige natuurwaarden niet van het toekennen van de woonbestemming behoeft te worden afgezien. 2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond. 2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat. De voorzitter w.g. Kooijman is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 204-571.