
Jurisprudentie
BF0994
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801554/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801554/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) de vergunning van [appellant] voor een vaste standplaats op de donderdagse warenmarkt ingetrokken.
Uitspraak
200801554/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5942 van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 januari 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) de vergunning van [appellant] voor een vaste standplaats op de donderdagse warenmarkt ingetrokken.
Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 januari 2008, verzonden op 23 januari 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 april 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Boslooper, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6 van de Verordening op de warenmarkten voor de gemeente Delft 1998 (hierna: de Marktverordening) is het verboden zonder vergunning van het college op het marktterrein een standplaats, dan wel andere ruimte in te nemen.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een standplaats op de markt in de regel toegewezen als vaste plaats.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder d, wordt de vergunning voor een vaste plaats ingetrokken indien de standplaatshouder niet tenminste éénmaal per twee weken en tenminste negen maal per kwartaal zijn vaste plaats op de markt inneemt, zulks met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 20, 21 en 22. De artikelen 20, 21 en 22 hebben betrekking op, onderscheidenlijk, ziekte, vakantie en vervanging wegens bijzondere omstandigheden.
Ingevolge artikel 32 kan het college in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in deze verordening.
Op 6 juni 2005 is de Marktverordening vervangen door de Verordening op de warenmarkten voor de gemeente Delft 2005. In de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 13, eerste lid, onder d, 19, 20, 21 en 35 van deze verordening zijn soortgelijke bepalingen opgenomen als in, onderscheidenlijk, de artikelen 6, 7, eerste lid, 16, eerste lid, onder d, 20, 21, 22 en 32 van de Marktverordening.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in zijn geval sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 32 van de Marktverordening en dat het college derhalve niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Marktverordening zijn vergunning voor een vaste standplaats op de donderdagse warenmarkt had mogen intrekken, ondanks het feit dat hij zijn standplaats na 18 december 2004 niet meer heeft ingenomen. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank onterecht heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de wijziging van de opstelling van de warenmarkt, die na de verlening van zijn vergunning heeft plaatsgevonden, het hem redelijkerwijs onmogelijk maakt zijn marktkraam doelmatig te exploiteren.
Als gevolg van de wijziging van de opstelling van de warenmarkt is op de standplaats van [appellant] een elektriciteitskastje komen te staan. [appellant] stelt dat hij, gezien de ruimte die dit elektriciteitskastje in beslag neemt, één van de zes trolleys, waarin hij de door hem te verkopen kleding uitstalt, niet meer kan plaatsen. Volgens [appellant] ontbreekt hierdoor een zesde deel van zijn assortiment en is daarmee de onmogelijkheid van een zinvolle exploitatie van zijn marktkraam evident.
2.2.1. Dit betoog faalt. Uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd en de foto's die hij ter ondersteuning van zijn betoog heeft overgelegd, blijkt niet waarom het redelijkerwijs onmogelijk zou zijn om de marktkraam na wijziging van de opstelling van de warenmarkt doelmatig te exploiteren. Zo heeft hij niet aannemelijk gemaakt waarom het redelijkerwijs niet mogelijk is zijn volledige assortiment op een andere wijze dan met behulp van zes trolleys uit te stallen. [appellant] heeft evenmin aannemelijk gemaakt waarom met vijf trolleys geen assortiment kan worden samengesteld dat divers en omvangrijk genoeg is om op winstgevende wijze de marktkraam te exploiteren.
2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de opstelling van de warenmarkt in december 2004 is gewijzigd. Volgens [appellant] is de wijziging van de marktopstelling reeds in het midden van 2004 geëffectueerd en hing de op 25 november 2004 geconstateerde overtreding van het in de Marktverordening neergelegde verbod op het innemen van meer dan de toegewezen ruimte, waarvoor hij bij brief van het college van 29 november 2004 is gewaarschuwd, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk samen met de problematiek als gevolg van de wijziging van de marktopstelling.
2.3.1. Dit betoog faalt eveneens. [appellant] heeft niet betwist dat hij nog na 25 november 2004, namelijk tot en met 18 december 2004 zijn standplaats heeft ingenomen. Aangezien [appellant] heeft gesteld dat de wijziging van de opstelling van de warenmarkt het hem redelijkerwijs onmogelijk maakt zijn standplaats in te nemen, is het aannemelijk dat, zoals ook het college te kennen heeft gegeven, de wijziging van de marktopstelling eerst in december 2004 is geëffectueerd.
2.4. [appellant] heeft in zijn hoger beroepschrift ten slotte gesteld dat het college inmiddels aanzienlijke overschrijdingen van de afmetingen van marktkramen gedoogt, hetgeen hij met een foto heeft onderbouwd. Onderhavig geschil richt zich evenwel op het intrekken van een vergunning wegens het niet innemen van de toegewezen standplaats en niet op het intrekken van een vergunning wegens het innemen van meer dan de toegewezen ruimte. Derhalve kan deze stelling niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.5. Gelet op vorenstaande, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het besluit van 8 maart 2005 tot intrekking van de vergunning van [appellant] in bezwaar kon worden gehandhaafd.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
312-582.