
Jurisprudentie
BF0984
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200706997/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200706997/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Almere (hierna: de raad) bij besluit van 15 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Almere Poort" (hierna: het plan).
Uitspraak
200706997/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de stichting "Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer", gevestigd te Castricum,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Flevoland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Almere (hierna: de raad) bij besluit van 15 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Almere Poort" (hierna: het plan).
Tegen dit besluit heeft de stichting "Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer" (hierna: VBIJ) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2007.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. VBIJ heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2008, waar VBIJ, vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, F.F. Fleischer en J.H. Baron, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.C. van den Broek en dr. ir. A.A. van den Berg, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M. Duits, ambtenaar in dienst van de gemeente.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
2.2. Het plangebied ligt voor een deel in het IJmeer en wordt voor een groot gedeelte begrensd door dit meer, dat in het noorden overgaat in het Markermeer. Het plan is gericht op de realisatie van 11.000 tot 12.000 woningen, de aanleg van ruim 100 hectare bedrijventerrein, het realiseren van een jachthaven met ongeveer 1.000 ligplaatsen, het bouwen van ongeveer 693.000 m2 kantooroppervlakte en de ontwikkeling van een multifunctioneel sport- en leisurecentrum met een capaciteit van meer dan 500.000 bezoekers per jaar. Het plan is grotendeels een uit te werken plan en voor een klein deel een eindplan.
2.3. VBIJ voert aan dat het college door het plan goed te keuren heeft miskend dat niet is uitgesloten dat het plan significante effecten zal hebben op de beschermde natuurwaarden van het IJmeer. In dit verband voert VBIJ aan dat de in het kader van artikel 19j, derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) uitgevoerde passende beoordeling, zoals opgenomen in de aan het plan ten grondslag gelegde natuureffectenstudie, onvolledig is. Niet is nagegaan wat de natuureffecten van de in het plan toegestane hoogbouw direct langs de speciale beschermingszone IJmeer zullen zijn. Verder is volgens haar ten onrechte niet ingegaan op de effecten van het intensiveren van het recreatieve gebruik van het IJmeer als gevolg van zowel het onderhavige plan als van andere plannen en projecten langs het IJmeer, op de speciale beschermingszone en zijn deze plannen en projecten ten onrechte niet in samenhang beoordeeld. Daarbij wijst VBIJ op het rapport "Uitbreiding van de recreatievaart in het IJsselmeergebied tot 2030 in relatie tot de aanwijzingen als Natura 2000-gebied. Komen beschermde natuurwaarden in het geding?" van Bureau Waardenburg B.V. van 31 mei 2007 (hierna: het rapport van Waardenburg).
VBIJ voert verder aan dat het plan goedkeuring behoeft op grond van artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998.
Nu met de uitvoering van het plan de speciale beschermingszone IJmeer verder wordt belast en concreet flankerend planologisch beleid om de ecologische kwaliteiten van het IJmeer te versterken ontbreekt, heeft het college volgens VBIJ miskend dat het plan ook in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de natuureffectenstudie blijkt dat geen significante effecten te verwachten zijn en wijst er voorts op dat het goedkeuring heeft onthouden aan artikel 29, vierde en vijfde lid, van de planvoorschriften, dat onder meer voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid voor het realiseren van gebouwen ten behoeve van recreatiewater, zoals een openlucht zwembad, en in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het realiseren van een jachthaven dan wel het uitbreiden van de bestaande jachthaven.
2.3.2. Aan het deel van het IJmeer dat in het plangebied ligt, is de bestemming "Water " toegekend. Voor een deel grenst dit plandeel direct aan het plandeel met de bestemming "Uit te werken gebied voor Wonen, Centrumdoeleinden, Recreatie en Kantoren" en voor een ander deel is laatstgenoemd plandeel gescheiden van het plandeel met de bestemming "Water" door de plandelen met de bestemmingen "Recreatieve doeleinden I, II en III".
Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart, aangewezen voor "Water", voor zover hier van belang, bestemd voor recreatiewater en natuurontwikkeling, waaronder vooroevers en stranden, sierwater en kunstobjecten.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Uit te werken gebied voor Wonen, Centrumdoeleinden, Recreatie en Kantoren" bestemd voor wonen en verblijfsgebied met inbegrip van wijkvoorzieningen, bos en kantorenlocaties, waaronder een hoofdkantorenlocatie, en de ontwikkeling van een (kust)centrumgebied. Ingevolge dat lid, aanhef en sub a, in samenhang met tabel 4.1 tot en met 4.5, geldt in het plandeel met deze bestemming voor een klein deel een maximale bouwhoogte ten opzichte van het peil van 80 en 60 meter en voor een groter deel een bouwhoogte ten opzichte van het peil van 45 en 21 meter. Ingevolge artikel 1, onder 51, wordt onder peil verstaan: voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter hoogte van de hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld.
2.3.3. Bij besluiten van 24 maart 2000 (Stcr. 31 maart 2002, nr. 65 en Stcr. 31 maart 2002, nr. 65) heeft de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de op de bij die besluiten behorende kaarten aangegeven gebieden, bekend onder de namen IJmeer en Markermeer, aangewezen als speciale beschermingszone (hierna: SBZ) in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn). De kaart en de nota van toelichting die onderdeel uitmaken van het besluit tot aanwijzing van het IJmeer als SBZ zijn bij besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) van 27 september 2005 (Stcr. 30 september 2005, nr. 190) vervangen door de kaart en de nota van toelichting die onderdeel uitmaken van dat laatste besluit.
2.3.4. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wijst de minister van LNV gebieden aan ter uitvoering van de Vogel- en de Habitatrichtlijn.
In artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195) is bepaald dat de besluiten van de minister van LNV houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn gelden als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover van belang, wordt, voor zover niet anders bepaald, onder gedeputeerde staten verstaan het college van gedeputeerde staten van de provincie waarin gebieden als bedoeld in artikel 10a geheel of grotendeels zijn gelegen.
Ingevolge artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998, behoeft een besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten.
Ingevolge, artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 zijn bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de beperkingen in het wettelijk voorschrift waarop dat besluit berust, de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19j, derde lid, van die wet, wordt, bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in artikel 19j, eerste lid, en dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen, significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, alvorens het besluit tot vaststelling wordt genomen.
Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19j, derde lid, van die wet, kan een plan als bedoeld in artikel 19j, eerste lid, slechts worden vastgesteld indien het bestuursorgaan uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 19f, eerste lid, zich ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied niet zullen worden aangetast.
2.3.5. Uit bovengenoemde artikelen volgt dat wanneer een bestemmingsplan de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ingevolge artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 bij de vaststelling van dat plan de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing zijn, zodat de zogenoemde habitattoets bij de vaststelling van het plan dient te worden uitgevoerd.
Het college dient vervolgens in het kader van het besluit omtrent goedkeuring op grond van de WRO te bezien of bij de vaststelling van het plan artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 in acht is genomen. Indien dat niet het geval is, is de vaststelling van het plan in strijd met het recht en zal het college goedkeuring dienen te onthouden aan dat plan.
Daarnaast dient het college van gedeputeerde staten van de provincie waarin het gebied als bedoeld in artikel 10a, geheel of grotendeels is gelegen, op grond van artikel 2, eerste lid, in samenhang met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998 te beslissen omtrent de goedkeuring van hetzelfde plan. Bij die beslissing dient hij tevens te bezien of bij de totstandkoming van het plan artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 in acht is genomen.
De artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van de Nbw 1998 vormen onder meer een implementatie van artikel 6, derde lid, van de richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn). Mede gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zoals verwoord in het arrest van dit Hof van 7 september 2004 in de zaak C-127/02, houdt toepassing van artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 derhalve in dat de raad het plan zonder passende beoordeling kan vaststellen als op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied en dat de raad het plan eveneens kan vaststellen als op basis van een passende beoordeling zekerheid is verkregen dat het project of andere handeling geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Dit is volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.
In dat geval kan het college goedkeuring aan het bestemmingsplan verlenen.
2.3.6. In de inleiding van de natuureffectenstudie is vermeld dat in 2005 in het kader van het plan een oriëntatietoets is uitgevoerd. In deze toets is beoordeeld of er significante effecten te verwachten zijn als gevolg van de realisatie van het bestemmingsplan op de SBZ IJmeer. Voorts is in de inleiding van de natuureffectenstudie vermeld dat de conclusie van de oriëntatietoets is dat significante effecten niet zijn uit te sluiten.
Uit de oriëntatietoets volgt derhalve dat het plan een verslechterend of verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het IJmeer is aangewezen en dat het plan significante gevolgen kan hebben voor het gebied. Dit heeft geleid tot het opstellen van de natuureffectenstudie die, ook blijkens de subtitel, moet worden beschouwd als een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998.
2.3.7. In de natuureffectenstudie wordt, voor zover thans van belang, per deelgebied aangegeven welke ontwikkelingen zullen plaatsvinden en welke maximale bouwhoogtes daarvoor gelden. In hoofdstuk 6 van dat rapport wordt beschreven wat naar verwachting de effecten zijn van de geplande inrichting van het plangebied op de soorten waarvoor het IJmeer is aangewezen. In dat verband is vermeld dat de aanleg van de boulevard, de infrastructuur, de bouw van woningen, de overige voorzieningen en de bedrijventerreinen aan de kust van het IJmeer, activiteiten zijn die van invloed kunnen zijn op de soorten die leven in de SBZ.
Voorts is voor de soorten, vermeld op het aanwijzingsbesluit van het IJmeer en/of in de instandhoudingsdoelstellingen voor het IJmeer/Markermeer, afgezien van de hierna te noemen uitzonderingen, afzonderlijk geoordeeld dat het plan - onder meer als gevolg van toename van recreatiedruk - geen effect van vernietiging dan wel verstoring zal hebben en dat versnippering niet aan de orde is nu Almere Poort wordt aangelegd buiten de SBZ IJmeer. Verder is geconcludeerd dat de realisatie van het plan, waarmee het open akkerbouwgebied wordt omgevormd tot stedelijke omgeving, naar verwachting geen barrière zal vormen voor de in het plangebied voorkomende soorten.
Met betrekking tot de tafeleend en de brilduiker is geconcludeerd dat deze soorten kunnen worden verstoord als gevolg van de te verwachten toename van de recreatiedruk. In hoofdstuk 7 zijn de resultaten van een nader onderzoek naar deze twee soorten beschreven en is met betrekking tot beide soorten geconcludeerd dat geen negatieve effecten zijn te verwachten, aangezien de toename van de verstoring als gevolg van toenemende waterrecreatie zich niet voordoet in het gebied waarin deze dieren voorkomen, deze twee soorten in de huidige situatie al aan verstoring zijn gewend en in de directe omgeving alternatieve rust- en foerageerplaatsen aanwezig zijn. Blijkens de conclusie van hoofdstuk 7 worden er geen extra effecten van toenemende waterrecreatie verwacht omdat de voorzieningen hiervoor ontbreken.
2.3.8. Wat betreft de stelling van VBIJ dat in de passende beoordeling ten onrechte mitigerende maatregelen zijn meegenomen, overweegt de Afdeling dat in de natuureffectenstudie wordt geconcludeerd dat er geen negatieve effecten worden verwacht van de ontwikkeling van Almere Poort op soorten en habitats die voorkomen in het IJmeer. Vervolgens wordt in de studie aangegeven dat de rustgebieden voor de Tafeleend en de Brilduiker in het algemeen in het IJmeer onder druk staan en wordt met het oog daarop voorgesteld elders een extra rustgebied te creëren dat niet toegankelijk is voor mensen. Deze voorgestelde maatregel is derhalve voor de beoordeling van de vraag of er als gevolg van dit plan significante effecten te verwachten zijn, niet meegenomen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat die maatregel enkel moet worden aangemerkt als een algemene aanbeveling voor het desbetreffende gebied.
2.3.9. Met betrekking tot het standpunt van VBIJ dat in de natuureffectenstudie ten onrechte niet de vormen en intensiteit van de waterrecreatie in kaart zijn gebracht en geprognosticeerd, overweegt de Afdeling dat blijkens de studie de voorgenomen ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken en recreatie zijn opgenomen in het ontwerp-bestemmingsplan en het Ondernemingsplan Almere Poort 2005-2020. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat een nadere kwantificatie in de natuureffectenstudie niet nodig was.
Uit hoofdstuk 6 van de natuureffectenstudie volgt dat de ontwikkeling van onder meer woningen, bedrijventerreinen en overige voorzieningen met de bijbehorende bouwhoogte is betrokken bij de vraag welke effecten de realisering van het plan heeft op de soorten waarvoor het IJmeer is aangewezen. Hetgeen VBIJ heeft aangevoerd, mist dan ook feitelijke grondslag.
Nu verder in hoofdstuk 6 en 7 van de natuureffectenstudie de uitkomsten van het onderzoek naar de effecten van het intensiveren van recreatie in het plangebied zijn beschreven, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het onderzoek op dit onderdeel onvolledig is.
Het rapport van Waardenburg waar VBIJ naar verwijst, is voor de beoordeling van de natuureffectenstudie niet relevant, omdat in dit verkennende rapport volgens het deskundigenbericht effecten op de natuurwaarden van nog vast te stellen plannen en te vergunnen projecten zijn beschreven, met als doel dat hierin voorafgaand aan de besluitvorming inzicht bestaat. VBIJ heeft voorts weliswaar gesteld dat de effecten van de toename van de waterrecreatie als gevolg van zowel het onderhavige plan als van andere plannen en projecten langs het IJmeer in samenhang hadden moeten worden beoordeeld, maar zij heeft dit standpunt niet nader onderbouwd door concrete plannen dan wel projecten te noemen die voor de onderhavige procedure van belang kunnen zijn, anders dan de in de natuureffectenstudie genoemde ontwikkelingen waarover reeds een besluit is genomen. Blijkens hoofdstuk 9 van deze studie is met die ontwikkelingen geen sprake van cumulatie van effecten op de toetsingsoorten. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte andere plannen en projecten die van invloed zouden kunnen zijn op de SBZ IJmeer niet in zijn beoordeling heeft betrokken.
2.3.10. De conclusie is dat het college in hetgeen VBIJ heeft aangevoerd geen grond hoefde te vinden voor het oordeel dat het plan, voor zover daarmee hoogbouw en recreatie mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van de SBZ IJmeer, is vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998.
2.3.11. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.3.10. hoefde het college in het ontbreken van flankerend planologisch beleid om ecologische kwaliteiten van het IJmeer te versterken in redelijkheid ook geen aanleiding te zien voor het oordeel dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
2.3.12. Voor zover VBIJ tevens heeft betoogd dat het college ten onrechte niet mede ingevolge de Nbw 1998 heeft beslist omtrent de goedkeuring van het plan, overweegt de Afdeling het volgende.
Het standpunt van het college dat de goedkeuring op grond van 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998 niet is vereist omdat absolute zekerheid aanwezig is dat het plan niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kwaliteiten en evenmin tot een verstoring van populaties van soorten in de SBZ IJmeer, is niet juist. Alleen indien op grond van objectieve gegevens die op voorhand bekend zijn, kan worden uitgesloten dat het plan leidt tot een verslechtering of verstoring in de SBZ IJmeer, is geen goedkeuring vereist op grond van artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998. In het onderhavige geval hebben het college en de raad hun conclusie echter gebaseerd op de passende beoordeling die is opgesteld omdat het plan volgens de oriëntatietoets een verslechterend of verstorend effect kan hebben op soorten waarvoor het IJmeer is aangewezen. Reeds omdat er een mogelijk verstorend of verslechterend effect is, behoeft het plan, ingevolge wat hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 2.3.5., goedkeuring op grond van de Nbw 1998.
Gelet hierop en gelet op het feit dat het grootste deel van het IJmeer in de provincie Noord-Holland ligt, dient het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Nbw 1998 dit besluit omtrent goedkeuring te nemen. Ter zitting is gebleken dat de raad het plan niet ter goedkeuring aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft gezonden. Het ontbreken van een goedkeuringsbesluit op grond van de Nbw 1998 staat los van de hier aan de orde zijnde goedkeuring ingevolge de WRO en is dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit, maar het staat wel in de weg aan de inwerkingtreding van het plan.
2.4. De conclusie is dat hetgeen VBIJ heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond;
Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Oosting w.g. Boermans
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
429-559.