
Jurisprudentie
BF0982
Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806457/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806457/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de voorschriften 2.5.6 en 5.2.1, verbonden aan de bij besluit van 4 mei 2004 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor een inrichting voor de productie van polypropyleen- en polyethyleenbuizen en de assemblage van geproduceerde buizen en slangen op het adres [locatie] te [plaats].
Uitspraak
200806457/1.
Datum uitspraak: 11 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Rucphen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de voorschriften 2.5.6 en 5.2.1, verbonden aan de bij besluit van 4 mei 2004 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor een inrichting voor de productie van polypropyleen- en polyethyleenbuizen en de assemblage van geproduceerde buizen en slangen op het adres [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 september 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, P.S.A. van Holstein en P.S.N.M. van Holstein, en het college, vertegenwoordigd door ing. M.L.M. Sijmens, werkzaam bij de gemeente, en mr. B. Wouters, werkzaam bij de Regionale Milieudienst West-Brabant, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [partijen].
2. Overwegingen
2.1. In voorschrift 2.5.6 van de vergunning van 2 mei 2004 is bepaald dat deuren en ramen in de buitengevel van de gebouwen tijdens lawaaimakende werkzaamheden gesloten moeten worden gehouden. Deuren mogen dan slechts worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen.
2.1.1. Het college heeft bij een bezoek aan de inrichting op 18 mei 2008 geconstateerd dat enkele deuren van de productiehal geopend waren en dat geluid kon worden waargenomen, afkomstig van onder meer de machines in de productiehal. Het college stelt zich op het standpunt dat het in werking zijn van de machines voor de productie en assemblage van kunststof buizen moet worden beschouwd als het verrichten van lawaaimakende werkzaamheden en dat voorschrift 2.5.6 derhalve is overtreden.
2.1.2. [verzoekster] bestrijdt dat voorschrift 2.5.6 is overtreden. Volgens haar zijn tijdens het openstaan van enkele deuren van de productiehal geen lawaaimakende werkzaamheden verricht. Zij betoogt tevens dat onvoldoende duidelijk is wat onder lawaaimakende werkzaamheden moet worden verstaan, zodat voorschrift 2.5.6 niet als grondslag voor de oplegging van een last onder dwangsom kon dienen.
2.1.3. Niet in geschil is dat tijdens het in werking zijn van de inrichting niet alle deuren van de productiehal gesloten zijn geweest op tijdstippen waarop geen personen of goederen werden doorgelaten. Ter beoordeling staat slechts of op dat moment lawaaimakende werkzaamheden als bedoeld in voorschrift 2.5.6 werden verricht. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is voldoende duidelijk dat onder lawaaimakende werkzaamheden in voorschrift 2.5.6 moet worden verstaan het in werking zijn van in de productiehal aanwezige machines voor de productie van kunststof buizen, waaronder in ieder geval de extruders. Gelet op de stukken, waaronder het namens het college opgestelde klachtenrapport van 18 mei 2008, acht de voorzitter het aannemelijk dat onder meer de extruders in werking waren, terwijl deuren van de productiehal geopend waren anders dan voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voorschrift 2.5.6 is overtreden.
2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.3. Subsidiair voert [verzoekster] aan dat het college met betrekking tot voorschrift 2.5.6 van handhavend optreden had moeten afzien. Zij betoogt in de eerste plaats dat door het openstaan van de deuren geen onaanvaardbare geluidhinder is veroorzaakt. Volgens haar zijn de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden niet overschreden. Ook is op de grens van de inrichting een geluidwal geplaatst, waardoor volgens [verzoekster] buiten de inrichting geen geluid meer waarneembaar is. Het college heeft hiermee volgens haar ten onrechte geen rekening gehouden.
[verzoekster] betoogt verder dat het college niet tot oplegging van een last onder dwangsom mocht overgaan, omdat zij op grond van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft verzocht om intrekking van voorschrift 2.5.6 en het college ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet op dat verzoek had beslist. Voorts heeft het college zich volgens haar ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestond.
2.3.1. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had het college nog niet beslist op het door [verzoekster] ingediende verzoek om intrekking van voorschrift 2.5.6. Wel was reeds een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, strekkende tot afwijzing van het verzoek. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom geen concreet zicht op legalisatie bestond.
De voorzitter overweegt verder het volgende. [verzoekster] heeft geen concrete gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat de in de voorschriften 2.5.1 en 2.5.2 neergelegde geluidgrenswaarden, ondanks het geopend zijn van enkele deuren, niet zijn overschreden. Reeds hierom kan de oplegging van de last onder dwangsom naar het oordeel van de voorzitter in zoverre niet onevenredig worden geacht in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
Voorts is onzeker of de door [verzoekster] aangelegde geluidwal de geluidbelasting op de nabij de inrichting gelegen woningen beperkt. Daarbij is mede van belang dat ter zitting door het college onweersproken is gesteld dat de geluidwal zich aan de westzijde van de inrichting bevindt en aan de oostzijde van de inrichting woningen van derden zijn gelegen.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter voorshands geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan had moeten afzien.
2.4. In voorschrift 5.2.1 is, voor zover hier van belang, bepaald dat maatregelen dienen te zijn genomen zodat geen kunststofgranulaat zich buiten de inrichting kan verspreiden. Indien granulaat wordt gemorst dan wel verspreid, dan dient dit onmiddellijk te worden verwijderd en alsnog op de juiste wijze te worden opgeslagen.
2.4.1. [verzoekster] betoogt - zo begrijpt de voorzitter het verzoek - dat handhavend optreden wegens overtreding van voorschrift 5.2.1 onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Hiertoe voert zij onder meer aan dat het bij de verspreiding van granulaatkorrels om incidenten ging, dat de granulaatkorrels geen gevaar voor het milieu opleveren en dat het wegens werkzaamheden aan de openbare weg niet goed mogelijk was de gemorste korrels binnen en buiten de inrichting te verwijderen.
2.4.2. Volgens het college zijn sinds 1999 bij een groot aantal controles gemorste granulaatkorrels binnen en buiten de inrichting aangetroffen. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat de overtreding van voorschrift 2.5.1 een structureel karakter heeft. Voor zover [verzoekster] maatregelen heeft getroffen tegen de verspreiding van granulaatkorrels, zijn deze volgens het college ontoereikend gebleken. Het college stelt voorts dat de wegwerkzaamheden rond de inrichting niet in de weg staan aan verwijdering van granulaatkorrels binnen de inrichting en dat ook de locaties buiten de inrichting waar granulaatkorrels zijn aangetroffen, ondanks de wegwerkzaamheden bereikbaar zijn.
2.4.3. Tijdens een controle op 19 juni 2008 heeft het college vastgesteld dat kunststof granulaatkorrels zijn gemorst en binnen en buiten de inrichting zijn verspreid. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan er voorts van worden uitgegaan dat de granulaatkorrels niet onmiddellijk zijn verwijderd, zodat voorschrift 5.2.1 is overtreden.
Uit de controlerapporten van het college en de daarbij behorende foto’s leidt de voorzitter af dat herhaaldelijk is geconstateerd dat granulaatkorrels binnen en buiten de inrichting zijn verspreid en dat het daarbij, anders dan [verzoekster] heeft gesteld, niet slechts enkele korrels betrof. Derhalve kan naar het oordeel van de voorzitter niet worden gesproken van een incidentele overtreding. Voorts is op grond van hetgeen [verzoekster] hierover heeft aangevoerd niet aannemelijk geworden dat het wegens werkzaamheden aan de openbare weg onmogelijk was de gemorste granulaatkorrels binnen en buiten de inrichting te verwijderen. Verder kan naar het oordeel van de voorzitter worden aangenomen dat de verspreiding van de kunststof granulaatkorrels nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bijvoorbeeld door verontreiniging van het oppervlaktewater.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter vooralsnog geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan had moeten afzien.
2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Teuben
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008
483.