Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0975

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800681/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij onderscheiden besluiten van 11 juli 2003 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie; hierna: de minister) de aan [wederpartij] toegekende huursubsidie herzien, de huursubsidie voor de tijdvakken 1 juli 1999 - 1 augustus 1999 en 1 augustus 1999 - 1 juli 2000 op € 14,97 onderscheidenlijk € 539,09 vastgesteld en de teveel betaalde subsidie over deze tijdvakken teruggevorderd.


Uitspraak

200800681/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (lees: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie), appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2993 van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2007 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats], en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (lees: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie). 1. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 11 juli 2003 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie; hierna: de minister) de aan [wederpartij] toegekende huursubsidie herzien, de huursubsidie voor de tijdvakken 1 juli 1999 - 1 augustus 1999 en 1 augustus 1999 - 1 juli 2000 op € 14,97 onderscheidenlijk € 539,09 vastgesteld en de teveel betaalde subsidie over deze tijdvakken teruggevorderd. Bij besluit van 16 juni 2006 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 7 december 2007, verzonden op 13 december 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 juni 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2008. [wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Stevens, is verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De minister heeft zich in het besluit van 16 juni 2006 op het standpunt gesteld dat [wederpartij] niet binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde termijn bezwaar heeft gemaakt. Dat het besluit van 11 juli 2003 is verzonden naar het adres [locatie 1] te [plaats], waar [wederpartij] op dat moment niet meer woonde, komt, aldus de minister, voor haar risico, nu zij heeft nagelaten hem van haar verhuizing op de hoogte te stellen. 2.2. De rechtbank heeft het besluit van 16 juni 2006 vernietigd omdat naar haar oordeel het besluit van 11 juli 2003 niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. 2.2.1. De minister heeft, na raadpleging van de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA), erkend dat [wederpartij] zich op 4 april 2003 heeft laten inschrijven op haar huidige adres [locatie 2] te [plaats]. 2.2.2. Zoals de minister ter zitting heeft bevestigd, hanteerde hij tot 1 juli 2002 als vaste gedragslijn dat hij voor de verzending van besluiten en brieven inzake huursubsidie uitging van het door de huurder laatst opgegeven correspondentieadres. Deze gedragslijn was gebaseerd op het uitgangspunt dat de huurder de minister van iedere verhuizing in kennis diende te stellen. Met ingang van 1 juli 2002 worden GBA-gegevens automatisch door de gemeente aan de minister doorgegeven. In de gevallen waarin een aanvrager nog huursubsidie ontvangt of een nieuwe aanvraag om huursubsidie wordt gedaan, gaat de minister er daarom niet langer vanuit dat de huurder zijn verhuizing aan hem door dient te geven. 2.2.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 20 augustus 2008 (zaak nr. 200800616/1) is zij, gelet op de omstandigheid dat per 1 juli 2002 GBA-gegevens automatisch door de gemeente aan de minister worden doorgegeven, van oordeel dat in een geval als dit, waarin het besluit tot herziening van de huursubsidie dateert van ná 1 juli 2002, de minister bij de verzending van de herzieningsbeschikking moet afgaan op het adres van de huurder dat is vermeld in de GBA. In dit oordeel betrekt de Afdeling dat de huurder gehouden is adreswijzigingen door te geven aan de GBA, een besluit tot herziening van huursubsidie voor de huurder ingrijpende gevolgen heeft en het voor de minister relatief eenvoudig is om in de GBA het bij hem bekende adres te controleren. Niet valt in te zien waarom deze werkwijze slechts aangewezen is in gevallen waarin een aanvrager nog huursubsidie ontvangt of een nieuwe aanvraag om huursubsidie wordt gedaan. 2.2.4. Uit het bovenstaande volgt dat, nu niet in geschil is dat [wederpartij] haar adreswijziging aan de gemeente heeft doorgegeven, de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat de omstandigheid dat het besluit van 11 juli 2003 is verzonden naar het oude, onjuiste adres van [wederpartij], voor haar risico dient te blijven. De rechtbank heeft, zij het op andere gronden, terecht geoordeeld dat het besluit van 11 juli 2003 niet op die datum op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en het besluit van 16 juni 2006 vernietigd. 2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. 2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) een griffierecht van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Van Hardeveld voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 312-538.