Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0965

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200802596/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 17 februari 2007 jegens [appellant] bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen.


Uitspraak

200802596/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 17 februari 2007 jegens [appellant] bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2008, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle, werkzaam voor de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. In artikel 4.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: de APV) is bepaald dat de inzameling van afvalstoffen kan plaatsvinden via een door of vanwege de gemeente verstrekte of geplaatste inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen. Ingevolge het tweede lid kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel(en) of -voorziening(en) de inzameling van bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Ingevolge artikel 4.2.11, eerste lid, van de APV is het voor de gebruiker van een perceel ten behoeve waarvan krachtens artikel 4.2.4, tweede lid, een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie afvalstoffen is aangewezen, verboden de desbetreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via die inzamelvoorziening. Ingevolge artikel 4.2.18, eerste lid, van de APV wordt, indien degene die feitelijk handelt of heeft gehandeld in strijd met deze paragraaf ten aanzien van het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen onbekend is of onbekend is gebleven, de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met de desbetreffende bepalingen in de APV. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt het bepaalde in het eerste lid niet indien deze persoon aantoont dat: a. door hem voldoende zorg voor het milieu in acht is genomen; of b. hij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Ingevolge het derde lid houdt de zorg, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is zodanig te handelen dat die gevolgen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt. 2.2. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. 2.3. [appellant] betoogt met een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2005, zaak nr. 200501068/1 dat artikel 4.2.18 van de APV onverbindend is omdat deze bepaling strijdt met artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht nu dit artikel hem niet de mogelijkheid biedt om aannemelijk te maken dat hij niet de overtreder is. 2.3.1. Als overtreder moet worden beschouwd degene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk schendt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar hiervoor aangehaalde uitspraak van 1 juni 2005 zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet voor personen voor wie het op grond van door hen geleverd tegenbewijs niet aannemelijk is dat zij het te handhaven voorschrift daadwerkelijk hebben geschonden. Anders dan [appellant] betoogt, biedt artikel 4.2.18, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV hem de mogelijkheid aannemelijk te maken dat hij het te handhaven voorschrift niet heeft geschonden. Strijd met artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van artikel 4.2.18 van de APV is dan ook niet aanwezig. Deze beroepsgrond faalt. 2.3.2. Vast staat dat het college op grond van artikel 4.2.11, eerste lid, in samenhang met artikel 4.2.4, eerste lid sub b, van de APV bevoegd was handhavend op te treden ten aanzien van de onjuist aan de Vredenoordkade, ter hoogte van nummer 110, te Rotterdam aangeboden boodschappentas met afvalstoffen en dat de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid tot [appellant]. 2.4. [appellant] betoogt dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt, zodat de kosten van bestuursdwang niet op hem konden worden verhaald. [appellant] betoogt in dat verband dat hij zijn huishoudelijk afval bij diverse, in de buurt van zijn woning gelegen containers aanbiedt en dat hij zich daarvoor niet naar een op ongeveer een kilometer van zijn woning gelegen container begeeft. [appellant] wijst erop dat het een gegeven is dat poststukken nu en dan verkeerd bezorgd worden en dat dit waarschijnlijk de verklaring is voor het aantreffen van een stuk met zijn adresgegevens aan de Vredenoordkade, ter hoogte van nummer 110, te Rotterdam. 2.5. Volgens het college was bedoelde boodschappentas, nu daarin een aan [appellant] geadresseerd poststuk is aangetroffen, afkomstig van [appellant] en heeft hij deze in strijd met de APV ter inzameling aangeboden. 2.6. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het zoekraken van op normale wijze ter post bezorgde brieven op het traject tussen verzender en ontvanger tot de hoge uitzonderingen behoort en dat daarom de enkele bewering van [appellant] dat het desbetreffende poststuk in dit geval verkeerd bezorgd is om die reden onvoldoende geloofwaardig moet worden geacht, moet worden opgemerkt dat dit in zijn algemeenheid niet onjuist is, doch de juistheid van het betoog van [appellant] niet bij voorbaat uitsluit. [appellant] heeft gesteld nooit huishoudelijke afvalstoffen in een daartoe bestemde container aan de Vredenoordkade te hebben aangeboden dan wel deze ernaast te hebben achtergelaten en daarbij gewezen op de grote afstand tussen zijn woning en de Vredenoordkade. De afstand tussen het woonadres van [appellant] en de plaats waar de gestelde overtreding begaan is, is op zichzelf geen criterium voor de toerekening van huishoudelijke afvalstoffen, zoals het college stelt met een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2006, zaak nr. 200506812/1. Dit betekent echter niet dat aan die omstandigheid in het geheel geen betekenis zou toekomen. Gelet op de omstandigheden van dit geval is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende vast komen te staan dat [appellant] degene is geweest die op een onjuiste wijze afvalstoffen heeft aangeboden. De omstandigheid dat de afvalstoffen zich in dit geval bevonden in een boodschappentas en niet in een vuilniszak, vormt onvoldoende aanleiding voor een andersluidende conclusie. Het college heeft [appellant] dan ook ten onrechte als overtreder van artikel 4.2.11, eerste lid, in samenhang met artikel 4.2.4, eerste lid, sub b, van de APV aangemerkt en derhalve ten onrechte de kosten van de toepassing van de bestuursdwang op hem verhaald. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 11 maart 2008 komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 1 februari 2008 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 11 maart 2008, kenmerk A.B.2008.2.01108/NH; III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 1 februari 2008, kenmerk 07/14754; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 11 maart 2008; V. gelast dat de gemeente Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Sparreboom lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 195-209.