
Jurisprudentie
BF0963
Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708636/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708636/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming vanwege het dumpen van asbesthoudende grond op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [..], sectie [..], nummer […].
Uitspraak
200708636/1.
Datum uitspraak: 17 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming vanwege het dumpen van asbesthoudende grond op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [..], sectie [..], nummer […].
Bij besluit van 7 november 2007 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2007, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2008, waar het college vertegenwoordigd door, T. Westendorp en J.M. Grotestam, ambtenaren in dienst van de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij een op 25 april 2007 door het college uitgevoerde controle is geconstateerd dat [appellant] tijdens het uitgraven van een waterloop op zijn perceel asbesthoudende grond op het perceel [locatie] te [plaats] heeft gebracht.
Bij brief van 3 mei 2007 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat hij voornemens is over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom, tenzij:
- [appellant] per direct de opslag van asbesthoudende grond op een dusdanige wijze afdekt en afgedekt houdt, dat zich geen asbestvezels in de omgeving kunnen verspreiden.
- [appellant] binnen twee weken na de datum van verzending van deze brief de asbesthoudende grond laat verwijderen door een daarvoor erkend bedrijf dat gecertificeerd is volgens BRL 5050.
Tijdens een op 21 mei 2007 door het college uitgevoerde hercontrole is geconstateerd dat de asbesthoudend grond was afgedekt, maar nog niet was opgeruimd.
Bij het besluit van 30 mei 2007 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van artikel 13 van de Wet bodembescherming. De dwangsom is vastgesteld op € 450,00 per dag dat de asbesthoudende grond niet is verwijderd door een daarvoor erkend bedrijf dat is gecertificeerd volgens BRL 5050. Het maximum waarboven geen dwangsom wordt verbeurd is vastgesteld op € 22.700,00. De termijn gedurende welke [appellant] de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, bedraagt twee weken. Bij besluit van 7 november 2007 heeft het college het door [appellant] tegen de last onder dwangsom gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.2. [appellant] voert aan dat de door hem uitgevoerde werkzaamheden geen handelingen zijn in de zin van de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming, waarnaar in artikel 13 van de Wet bodembescherming wordt verwezen. De verontreinigde grond bevond zich in de oorspronkelijke situatie reeds in de bodem. Hij stelt dat het door het college bedoelde artikel 6, tweede lid, sub 2 van de Wet bodembescherming spreekt over het op de bodem brengen van afvalstoffen, terwijl uit het in het geding gebrachte rapport van Witteman van 25 mei 2007 blijkt dat de grond is gestort op een stuk landbouwfolie. Verder betoogt hij dat hij niet wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat als gevolg van de door hem uitgevoerde werkzaamheden asbest zou vrijkomen. Uit de brief, waarnaar het college verwijst, die hij in het jaar 2000 aan zijn buurman stuurde valt geenszins af te leiden dat hij op de hoogte was van de aard van het afval dat op de grens tussen beide eigendommen lag.
2.2.1. Het college voert aan dat uit de controlerapporten van 25 april en 21 mei 2007 en de daarbij gevoegde foto's blijkt dat de verontreinigde grond direct op de bodem is gestort en niet op een stuk landbouwplastic. De grond is op last van het college wel afgedekt met landbouwfolie en grond.
2.2.2. In artikel 13 van de Wet bodembescherming is bepaald dat ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.
2.2.3. Uit de door het college aangehaalde controlerapporten en de daarbij gevoegde foto's blijkt dat tijdens de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden asbesthoudende grond op of in de bodem is gekomen. Dat die grond uit de bodem afkomstig was en de vraag of [appellant] er van tevoren van op de hoogte was dat de grond asbest bevat doet hieraan niet af. De door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden zijn derhalve handelingen als bedoeld in artikel 6 van de Wet bodembescherming die tot gevolg hebben dat de in artikel 13 van de Wet bodembescherming vervatte zorgplicht niet wordt nageleefd. Het college kon derhalve handhavend optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Voor zover [appellant] betoogt dat hij niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat als gevolg van de door hem uitgevoerde werkzaamheden asbest zou vrijkomen, overweegt de Afdeling dat [appellant] in het kader van de zienswijzen naar aanleiding van het voornemen van het college een last onder dwangsom op te leggen, heeft aangegeven dat het asbest afkomstig is van het perceel [locatie], waarvan [eigenaar] eigenaar is. [appellant] heeft ter onderbouwing van dit betoog een brief van 1 februari 2000 overgelegd waarin hij [eigenaar] maant om het afval dat laatstgenoemde in en om de waterloop op zijn perceel zou hebben gestort, te verwijderen. Onder deze omstandigheden heeft het college ervan uit kunnen gaan dat [appellant] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de bodem ter plaatse van de waterloop op zijn perceel verontreinigd was en dat de bodem ter plaatse van de [locatie] kon worden verontreinigd door het op de bodem brengen van het uit de waterloop afkomstige materiaal. Deze beroepsgrond treft geen doel.
2.3. [appellant] voert aan dat hij de overtreding niet in redelijkheid binnen de in het bestreden besluit gestelde termijn van twee weken kon beëindigen. Hij betoogt dat de termijn die vooraf gaat aan het primaire besluit, dat wil zeggen de periode waarin aan hem bekend is gemaakt dat het college voornemens was hem een dwangsom op te leggen niet bij de begunstigingstermijn mag worden opgeteld. Hij stelt dat het opvragen en ontvangen van een offerte van een gecertificeerd bedrijf twee weken in beslag neemt en dat de wachttijd voor sanering door gecertificeerde bedrijven drie weken bedraagt. Hij wijst tevens op persoonlijke omstandigheden die hem hebben beperkt in het snel en adequaat handelen. Tot slot voert hij aan dat het hier niet een zodanig acuut risico betreft dat de termijn gedurende welke hij de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, niet meer dan twee weken kan bedragen.
2.3.1. Het college stelt dat uit navraag bij diverse bureaus is gebleken dat de gestelde termijn haalbaar is. Gezien het carcinogene karakter van asbestvezels wil het college de begunstigingstermijn niet langer laten duren dan strikt noodzakelijk is. Het college verwijst in dit kader er naar dat ook al in de eerste aanschrijving van 3 mei 2007 een termijn van twee weken ten behoeve van de afvoer van de grond was gegeven.
2.3.2. Bij brief van 3 mei 2007 heeft het college aan [appellant] kenbaar gemaakt dat het voornemens was een last onder dwangsom op te leggen, tenzij [appellant] binnen twee weken na die datum de overtreding zou beëindigen. [appellant] heeft blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting eerst na het bestreden besluit offertes bij saneringsbedrijven aangevraagd, hoewel hij reeds sinds de brief van 3 mei 2007, bijna zes weken vóór het eindigen van de in het besluit van 30 mei 2007 gestelde termijn van twee weken, op de hoogte was van de op hem rustende wettelijke verplichting de overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming te beëindigen. Tevens blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de in het bestreden besluit gestelde termijn van twee weken niet onredelijk kort is om aan de opgelegde last onder dwangsom te voldoen. De door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden doen hier niet aan af. De Afdeling ziet reeds daarom en ook in hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de in het bestreden besluit gestelde termijn niet redelijk is.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Klap
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008
315.