Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0956

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805380/1 en 200805380/2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 27 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee woningen aan de [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200805380/1 en 200805380/2. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/3124 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 juli 2008 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Grave. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee woningen aan de [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 13 juni 2007 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 augustus 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college binnen zes weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Bij besluit van 12 september 2007 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 27 november 2006 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 juli 2008, verzonden op 7 juli 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Hij heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 18 juli 2008. Voorts heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.E.F.L. van Hoof-Pijnenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in de omgeving van het bouwplan een groot parkeertekort bestaat en de door het college overgelegde rapporten over de beschikbare parkeerruimte ontoelaatbare fouten en tekortkomingen bevatten. 2.2.1. Dit betoog faalt. In de Parkeervisie Grave Centrum van 22 mei 2006 is uiteengezet dat in het centrum van Grave een parkeeroverschot bestaat. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht onvoldoende grond gevonden voor het oordeel dat in dat rapport van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. In de Operationalisering Parkeervisie van 16 mei 2007 is aandacht besteed aan nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de zogenoemde parkeerbalans, zodat de beschikbare gegevens, anders dan [appellant] stelt, geactualiseerd zijn. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college zich op basis van de rapporten op het standpunt heeft mogen stellen dat in de behoefte van 3 parkeerplaatsen voldoende op andere wijze dan op eigen terrein wordt voorzien, zodat met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening gemeente Grave ontheffing mocht worden verleend van het bepaalde in het eerste lid. Zij heeft in het aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om een eigen deskundigenonderzoek te gelasten. 2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.4. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Wijers voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 444