Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0952

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200709041/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluiten van 6 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Thorn aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van zijn woning aan de [locatie] met een binnenzwembad.


Uitspraak

200709041/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/936 van de rechtbank Roermond van 21 november 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Thorn, thans: het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw. 1. Procesverloop Bij besluiten van 6 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Thorn aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van zijn woning aan de [locatie] met een binnenzwembad. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw (hierna: het college), als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Thorn, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar voor zover gericht tegen het gedeelte op de tekening aangeduid met 05 en 06 niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2007, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [vergunninghouder] heeft een reactie ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.J.A. Vis, het college, vertegenwoordigd door mr. E. Sentjens, werkzaam voor de gemeente, en [vergunninghouder], in persoon, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 2.06, onder 3. A., van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kapelzicht '88" - voor zover hier van belang - mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen niet meer bedragen dan 40% van de bij de woning behorende tot "Erf E" bestemde gronden, met dien verstande, dat het bebouwd oppervlak niet meer mag bedragen dan 70 m2. De totale oppervlakte van het bouwplan bedraagt 96 m2. Het bouwplan is derhalve in strijd met deze bepaling. 2.2. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. 2.3. De woning van [vergunninghouder] staat op twee bouwkavels, die later nog met de aankoop van een stuk grond zijn uitgebreid. Gelet op de omvang van de totale kavel heeft het college berekend dat 40% van de bij de woning behorende gronden een oppervlakte behelst van 102 m2. De 96 m2 blijft daar onder. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de oppervlakte van beide kavels niet bij elkaar had mogen optellen om de maximaal te bouwen oppervlakte voor bijgebouwen te bepalen, waardoor het college aan de bestemmingsplanvoorschriften een onjuiste uitleg heeft gegeven. Dat betoog treft geen doel. Nu het college vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend, komt aan de uitleg van de planvoorschriften geen beslissende betekenis toe. Bij afweging van de betrokken belangen kan echter wel de feitelijke oppervlakte van de bij de woning van [vergunninghouder] behorende gronden in aanmerking worden genomen. 2.4. [appellant] heeft geen gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat het college bij het verlenen van de vrijstelling zijn belangen dermate heeft veronachtzaamd dat het in redelijkheid niet daartoe heeft kunnen besluiten, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. 2.5. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college de gevraagde bouwvergunning terecht heeft verleend. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Boot lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 202.