Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0951

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708979/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [vergunninghouder A] vergunning verleend voor het bouwen van een woning met garage aan [locatie 1] te [plaats].


Uitspraak

200708979/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/1730, 06/1731 en 06/1732 van de rechtbank Roermond van 14 november 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Venray. 1. Procesverloop Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [vergunninghouder A] vergunning verleend voor het bouwen van een woning met garage aan [locatie 1] te [plaats]. Bij besluit van 4 september 2006 heeft het college aan [vergunninghouder B] vergunning verleend voor het bouwen van een woning aan [locatie 2] te [plaats]. Bij besluit van 5 september 2006 heeft het college aan [vergunninghouder C] vergunning verleend voor het bouwen van een woning aan [locatie 3] te [plaats]. Bij uitspraak van 14 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) de daartegen door [appellant] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 17 augustus 2006, 4 september 2006 en 5 september 2006 vernietigd en de beroepen tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door J. Zanders, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De bouwplannen maken onderdeel uit van het project Oostrum-Oost. Dit project wordt in fasen uitgevoerd en voorziet in woningbouw in het uitleggebied ten oosten van Oostrum. Fase 1 van het project is in 2001 gerealiseerd en voorziet in 24 woningen. Fasen 2 en 3 voorzien in 47 projectmatig gebouwde woningen en zes kavels voor de vrije sector. De bouwplannen betreffen drie woningen, waarvan één met garage, op drie van deze kavels en zijn reeds gerealiseerd. [appellant] exploiteert een varkenshouderij op het nabij gelegen perceel aan de [locatie 4] te [plaats]. 2.2. Bij besluit van 2 november 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de bouwplannen vrijstelling verleend. 2.3. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft. 2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 maart 2004 in zaak nr. 200303721/1), heeft de wetgever met artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet een concentratie van rechtsbescherming beoogd ter voorkoming van onnodige procedures. Indien vrijstelling is vereist om een bouwvergunning te kunnen verlenen, kan tegen de verlening van die vrijstelling eerst worden opgekomen in het kader van een beslissing op een voor het desbetreffende project ingediende bouwaanvraag. 2.5. Bij besluiten van 17 augustus 2006, 4 september 2006 en 5 september 2006 heeft het college vergunning verleend voor het bouwen van woningen, waarvan één met garage, aan [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te [plaats]. Zoals de rechtbank heeft overwogen, waren op dat moment de bouwvergunningen reeds van rechtswege verleend. De rechtbank heeft de beroepen van [appellant] terecht mede gericht geacht tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen. 2.6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, slaagt. Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van heden in zaak nr. 200708974/1) kan niet met zekerheid gesteld worden dat het bedrijf van [appellant] geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft en evenmin dan niet de mogelijkheid bestaat om binnen het bouwvlak nieuwe bebouwing voor hinderveroorzakende activiteiten op te richten. Dit betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zich in dit geval de uitzonderingssituatie als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2003 in zaak nr. 200206439/1 voordoet waarin voor het hanteren van de stankcirkel mocht worden uitgaan van de gevel van de bestaande bebouwing op het perceel van [appellant]. 2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de beroepen tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen ongegrond zijn verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 november 2005 en de van rechtswege verleende bouwvergunningen gegrond verklaren. Het besluit van 2 november 2005 komt, voor zover daarbij vrijstelling is verleend voor de bouwplannen, wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De van rechtswege verleende bouwvergunningen komen eveneens voor vernietiging in aanmerking. 2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de zaken nummers 200708974/1, 200708976/1, 200708978/1 en 200708979/1 voor de toekenning van een vergoeding van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden aangemerkt als één zaak, nu er sprake is van één hoger beroepschrift en de zaken ter zitting gelijktijdig zijn behandeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 november 2007 in zaak nrs. 06/1730, 06/1731 en 06/1732, voor zover daarbij de beroepen tegen de van rechtswege verleende bouwvergunningen ongegrond zijn verklaard; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 2 november 2005, voor zover daarbij vrijstelling is verleend voor de bouwplannen, en de van rechtswege verleende bouwvergunningen gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van 2 november 2005, kenmerk ba050273, voor zover daarbij vrijstelling is verleend voor de bouwplannen, en de van rechtswege verleende bouwvergunningen; V. gelast dat de gemeente Venray aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom w.g. Van Heusden voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 163-531.