Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0949

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708974/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 2 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [vergunninghoudster], voor zover thans van belang, vrijstelling verleend voor de bouw van 53 woningen aan De Horik, Het Gevlecht en Eijckenhof te Oostrum (hierna: de locatie) en bouwvergunning verleend voor de bouw van 47 woningen op de locatie.


Uitspraak

200708974/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1112 van de rechtbank Roermond van 14 november 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Venray. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray (hierna: het college) aan [vergunninghoudster], voor zover thans van belang, vrijstelling verleend voor de bouw van 53 woningen aan De Horik, Het Gevlecht en Eijckenhof te Oostrum (hierna: de locatie) en bouwvergunning verleend voor de bouw van 47 woningen op de locatie. Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 januari 2008. [vergunninghoudster] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door J. Zanders, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het bouwplan maakt onderdeel uit van het project Oostrum-Oost. Dit project wordt in fasen uitgevoerd en voorziet in woningbouw in het uitleggebied ten oosten van Oostrum. In fase 1 van het project zijn 24 woningen gebouwd. Het bouwplan betreft fasen 2 en 3. In deze fasen is voorzien in 47 projectmatig gebouwde woningen en zes kavels voor de vrije sector. Ook dit is gerealiseerd. [appellant] exploiteert een varkenshouderij op het nabij gelegen perceel aan de [locatie] te [plaats]. 2.2. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kerkdorp Oostrum" (hierna: het bestemmingsplan) op grond waarvan op de locatie de bestemming "Agrarisch gebied" rust. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend. 2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. 2.4. Voorts staat vast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college van gedeputeerde staten) bij besluit van 21 december 2004 goedkeuring heeft onthouden aan het op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart met een rode omlijning aangegeven plangedeelte met de bestemming "Agrarische Bedrijfsdoeleinden -A-", ter plaatse van het perceel van [appellant] aan de [locatie]. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, brengt dit met zich dat op dit gedeelte het bestemmingsplan "Buitengebied" van toepassing is gebleven op grond waarvan op voormeld perceel de bestemming "Agrarische doeleinden III" rust. Verder staat vast dat op de bij dit bestemmingsplan behorende plankaart geen bebouwingsvlak is aangegeven op voormeld perceel van [appellant], zodat dit gehele perceel mag worden bebouwd. 2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, omdat hij daardoor wordt belemmerd in de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf. Daartoe wijst hij erop dat het college voor het hanteren van de stankcirkel ten onrechte uitgegaan is van de gevel van de bestaande bebouwing op zijn perceel. Volgens [appellant] was het ten tijde van het besluit op bezwaar voorzienbaar dat de op dat moment nog geldende aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de Woningwet zou vervallen en de mogelijkheid voor bebouwing tot de perceelgrens zou herleven. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat de op 5 januari 2000 tussen hem en de gemeente Venray tot stand gekomen overeenkomst is gesloten met het oog op fase 1 en niet is bedoeld om de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf aan de zuidzijde, in de richting van het project, te beperken. Van illusoir geworden bouwmogelijkheden is volgens [appellant] dan ook, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake. Volgens [appellant] had het college voor het hanteren van de stankcirkel moeten uitgaan van de rand van zijn perceel. In dat geval ligt een gedeelte van het bouwplan binnen de stankcirkel van zijn bedrijf. 2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2003 in zaak nr. 200206439/1), dient bij de bepaling van de stankcirkel in een ruimtelijk plan in beginsel als meetpunt de grens van het aangegeven bouwvlak van het agrarische bedrijf te worden genomen, aangezien binnen het gehele bouwvlak bedrijfsbebouwing tot stand kan komen waarin hinderveroorzakende activiteiten plaatsvinden. Een uitzondering hierop kan slechts worden gemaakt als zeker is dat het bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft en evenmin de mogelijkheid bestaat om binnen het bouwvlak nieuwe bebouwing voor hinderveroorzakende activiteiten op te richten. In dat geval kan gemeten worden vanaf de grens van de bebouwing. 2.5.2. Niet in geschil is dat voor het bedrijf van [appellant] moet worden uitgegaan van 485 mestvarkeneenheden en dat het college heeft gerekend met een stankcirkel van 179 m. Gemeten vanaf de gevel van de bestaande bebouwing op het perceel van [appellant], ligt het bouwplan niet in de stankcirkel van zijn bedrijf. Gemeten vanaf de grens van het bebouwingsvlak, in dit geval de grens van het perceel van [appellant], is dat voor een gedeelte van het bouwplan wel het geval. 2.5.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat de omstandigheid dat ten tijde van het besluit op bezwaar een aanhoudingsplicht gold ingevolge artikel 50, derde lid, van de Woningwet, niet betekent dat het ook voor de toekomst zeker is dat het bedrijf van [appellant] geen uitbreidingsmogelijkheid meer heeft en evenmin de mogelijkheid bestaat om binnen het bouwvlak nieuwe bebouwing voor hinderveroorzakende activiteiten op te richten. Als gevolg van het besluit van het college van gedeputeerde staten van 21 december 2004 rust op de raad van de gemeente Venray de verplichting om ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO een nieuw plan vast te stellen. Uit dit besluit volgt dat in het nieuwe plan aan [appellant] een redelijke uitbreidingsmogelijkheid moet worden geboden om lopende ontwikkelingen op te kunnen vangen, voor zover andere belangen zich daar niet tegen verzetten. Weliswaar volgt uit dit besluit niet dat de uitbreidingsmogelijkheid (mede) in zuidelijke richting, de richting van het project, moet worden geboden, maar dit laat onverlet dat in het nieuwe plan in een redelijke uitbreidingsmogelijkheid moet worden voorzien. Reeds hierom kan niet met zekerheid gesteld worden dat het bedrijf van [appellant] geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft en evenmin de mogelijkheid bestaat om binnen het bouwblok nieuwe bebouwing voor hinderveroorzakende activiteiten op te richten. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zich in dit geval de uitzonderingssituatie voordoet waarin voor het hanteren van de stankcirkel mocht worden uitgaan van de gevel van de bestaande bebouwing op het perceel van [appellant]. Het betoog slaagt. 2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 9 mei 2006 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze zaak en de zaken nummers 200708976/1, 200708978/1 en 200708979/1, waarin de Afdeling heden uitspraak heeft gedaan, voor de toekenning van een vergoeding van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden aangemerkt als één zaak, nu er sprake is van één hoger beroepschrift en de zaken ter zitting gelijktijdig zijn behandeld. Ingevolge Bijlage C2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht dient, nu sprake is van vier samenhangende zaken, wegingsfactor 1,5 te worden toegepast. Voor de toekenning van een vergoeding van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep worden voormelde zaken niet aangemerkt als één zaak, nu de beroepschriften in die zaken niet nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 november 2007 in zaak nr. 06/1112; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van 9 mei 2006; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venray tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1610,00 (zegge: zestienhonderdtien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Venray aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI. gelast dat de gemeente Venray aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom w.g. Van Heusden voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 163-531.