Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0947

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708485/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) vastgesteld dat de verontreiniging bij het oliedepot op de locatie Snekertrekweg 89 te Leeuwarden een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is.


Uitspraak

200708485/1. Datum uitspraak: 17 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: het Waterschap Fryslân, gevestigd te Leeuwarden, appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) vastgesteld dat de verontreiniging bij het oliedepot op de locatie Snekertrekweg 89 te Leeuwarden een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, waarvan spoedige sanering niet noodzakelijk is. Tegen dit besluit heeft het Waterschap Fryslân (hierna: het waterschap) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2008, waar het dagelijks bestuur van het Waterschap Fryslân, vertegenwoordigd door mr. A.J. Greidanus en I. Bosman, ambtenaren in dienst van het waterschap, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M.J. Eurlings en T. Katgert, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Op 20 juli 2007 heeft Tamoil Nederland B.V. (hierna: Tamoil) als exploitant van een oliedepot aan de Snekertrekweg 89 te Leeuwarden een geval van bodemverontreiniging ter plaatse van de Snekertrekweg 89 en omgeving gemeld. Het college gaat er, overeenkomstig de melding, in het bestreden besluit van uit dat de zich in de nabijheid bevindende verontreiniging van de waterbodem van de Harlingervaart geen deel uitmaakt van dat geval van bodemverontreiniging, omdat de daarvoor ingevolge artikel 1 van de Wet bodembescherming vereiste organisatorische samenhang tussen de verontreiniging op het land en de verontreiniging van de waterbodem ontbreekt. Het college overweegt daartoe dat de verontreiniging van de waterbodem is ontstaan door mors- en lekverliezen bij het per schip bevoorraden van de tanks van het oliedepot door bedrijven die los stonden van de exploitant van het oliedepot en dat de mors- en lekverliezen bij de aansluitflens van net buiten de grens van de inrichting gelegen lospunten zijn ontstaan. 2.2. Het waterschap voert aan dat de laad- en losactiviteiten zodanig essentieel voor de bedrijfsvoering van de exploitant van het oliedepot waren dat tussen de verontreiniging op het land en de verontreiniging van de waterbodem een zodanige organisatorische samenhang in de zin van artikel 1 van de Wet bodembescherming bestaat dat de verontreiniging van de waterbodem deel uitmaakt van het geval van verontreiniging. 2.2.1. Het college voert aan dat de waterbodemverontreiniging het gevolg is van lek- en morsverliezen door andere bedrijven dan het bedrijf dat het oliedepot aldaar exploiteerde. Daardoor ontbreekt volgens het college organisatorische samenhang tussen de verontreiniging van de waterbodem en de verontreiniging op het land, temeer nu tussen de vervoerder en de exploitant van het depot een strikte civielrechtelijke scheiding van taken en verantwoordelijkheden bestond. 2.2.2. Gelet op artikel 1 van de Wet bodembescherming doet zich één geval van verontreiniging voor indien de verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Technische samenhang is aanwezig als de verontreinigingen zijn veroorzaakt als gevolg van een zelfde productieproces, installatie of mechanisme. Organisatorische samenhang doet zich voor als de verontreiniging het gevolg is van één organisatorische eenheid. Ruimtelijke samenhang is aanwezig als de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen. 2.2.3. Niet in geschil is dat de verontreiniging van de waterbodem is ontstaan door mors- en lekverliezen bij het bevoorraden van de aan de Snekertrekweg 89 geplaatste tanks en naar haar aard met die van de op het land aangetroffen verontreiniging overeenkomt. Eveneens is niet in geschil dat de verontreiniging van de waterbodem en de verontreiniging op het land ruimtelijk en technisch samenhangen. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat tussen die verontreinigingen ook organisatorische samenhang, omdat ze, nu het bevoorraden van de tanks een noodzakelijke voorwaarde was voor het kunnen functioneren van het oliedepot, door één organisatorische eenheid veroorzaakt zijn. Dat het bevoorraden feitelijk door anderen dan de exploitant werd uitgevoerd en dat de exploitant met hen afspraken over de scheiding van taken en verantwoordelijkheden had gemaakt, doet hieraan niet aan af. Nu het college er ten onrechte van is uitgegaan dat geen organisatorische samenhang bestaat tussen de waterbodemverontreiniging en de verontreiniging op het land, heeft het college zich niet van de precieze omvang van het geval van verontreiniging als bedoeld in de zin artikel 1 van de Wet bodembescherming vergewist. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met het in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vervatte vereiste van een deugdelijke motivering en met het in artikel 3:2 van die wet vervatte vereiste dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart. De beroepsgrond treft doel. 2.3. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. 2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. 2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden van 30 oktober 2007, kenmerk LW/0080/00019; III. gelast dat de gemeente Leeuwarden aan het Waterschap Fryslân het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Klap Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008 315.