Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0943

Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805501/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sint-Oedenrode (hierna: de raad) bij besluit van 27 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 1997 Eversestraat".


Uitspraak

200805501/2. Datum uitspraak: 9 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sint-Oedenrode (hierna: de raad) bij besluit van 27 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 1997 Eversestraat". Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2008. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden voor het verzoek zijn aangevuld bij brieven van 31 juli 2008 en 24 augustus 2008. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 augustus 2008, waar [verzoeker], bijgestaan door ing. A.M.L. van Rooij, en het college, vertegenwoordigd door E.A.L.J.C. van Lieshout, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door H.W.M.A. van den Berk en L.W.T.A.M. Vulders, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het plan voorziet in de uitbreiding van het bestemmingsvlak en bouwvlak van het bedrijf van [partij] aan de [locatie] en in de uitbreiding van het naastgelegen [loonbedrijf]. Bij het bestreden besluit heeft het college het plan goedgekeurd. 2.3. Verzoeker voert allereerst aan dat onduidelijk is of het besluit bevoegd is genomen, nu het is ondertekend door het bureauhoofd Ruimtelijke Ontwikkeling Noord-Oost, drs. ing. A.F. Meulepas. Verder wordt betoogd dat [verzoeker] een financieel belang heeft bij het bestreden besluit nu hij voorheen gronden in eigendom had die thans tot het bedrijf van [partij] behoren en waarvoor naar de mening van [verzoeker] een te lage prijs is betaald. Voorts wordt aangevoerd dat het college en de raad ten onrechte hebben meegewerkt aan het illegale gebruik van agrarische gronden voor de bedrijfsactiviteiten van [partij]. 2.4. De voorzitter overweegt dat om tot een ontvankelijk beroep in de bodemprocedure te kunnen komen vast moet komen te staan dat verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 54, tweede lid, onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan uitsluitend een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit inzake goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ter zitting is komen vast te staan dat de woning van [verzoeker] op ongeveer 2 kilometer afstand staat van de bedrijven aan de Eversestraat waarop het plan betrekking heeft. Tussen de woning en de bedrijven staan bovendien diverse gebouwen, bomen, en overige groenvoorzieningen die een direct zicht op de bedrijven vanuit de woning van [verzoeker] ontnemen. Vaststaat dat [verzoeker] voorheen eigenaar was van agrarische gronden die nu deel uitmaken van het plangebied. Ter zitting heeft [verzoeker] bevestigd dat hij deze gronden al langere tijd niet meer in eigendom heeft en dat deze gronden zijn overgedragen aan [partij]. Voorts is door [verzoeker] bevestigd dat hij op dit moment verder ook geen gronden in of in de directe omgeving van het plangebied in eigendom heeft. De omstandigheid dat naar de mening van [verzoeker] destijds een te lage prijs is betaald voor zijn gronden leidt naar het oordeel van de voorzitter niet tot de conclusie dat [verzoeker] een belang heeft dat rechtstreeks bij dit besluit is betrokken. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter dat [verzoeker] in de bodemprocedure niet als belanghebbende zal kunnen worden aangemerkt, zodat het beroep om deze reden niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 2.5. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek te worden afgewezen. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van der Sluijs, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Van der Sluijs voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2008 461.