Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0935

Datum uitspraak2008-08-29
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/27848, 08/27846
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aanvraag onbepaalde tijd en bepaalde tijd / herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb?
De onderhavige aanvraag betreft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, terwijl de vorige aanvraag ging om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Volgens jurisprudentie van de AbRS (zie onder meer de uitspraak van 31 augustus 2006, JV 2006,420) is de onderhavige aanvraag ten opzichte van de vorige aanvraag geen herhaalde aanvraag, omdat de wettelijke grondslag voor de vergunning voor bepaalde tijd en voor onbepaalde tijde een andere is. Artikel 4:6 van de Awb en het ne bis in idem beginsel gelden dan niet. Verweerder heeft eerst ter zitting gesteld dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c Definitierichtlijn. Er bestaat geen reden om de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat de discussie hierover niet is uitgekristalliseerd. Er is geen aanleiding om te wachten op antwoorden op de prejudiciële vragen met betrekking tot artikel 15c Definitierichtlijn. Als de uitkomst van die prejudiciële vragen is dat artikel 15c Definitierichtlijn gelijk is aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 dan heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet inhoudelijk aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 getoetst. De omstandigheid dat reeds bij de vorige aanvraag inhoudelijk aan artikel 3 van het EVRM (de b-grond) is getoetst, is niet relevant, nu uit voornoemde Afdelingsjurisprudentie reeds volgt dat artikel 4:6 van de Awb, dan wel het ne bis in idem beginsel niet gelden.


Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam vreemdelingenkamer voorzieningenrechter Uitspraak artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nrs.: AWB 08/27848 (voorlopige voorziening) AWB 08/27846 (beroep) V-nr.: 270.437.9354 inzake: [verzoeker], (die stelt te zijn) geboren op [1984], van (gestelde) Burundische nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, verzoeker, gemachtigde: mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. J.H. den Haan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. I. PROCESVERLOOP Op 3 augustus 2008 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 augustus 2008 waarbij de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 22 augustus 2008. Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J.B. Rutagenwa, tolk in de Kirundi taal. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten. II. FEITEN Verzoeker heeft op 6 juni 2004 voor de eerste maal een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 1 november 2004 heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, met ingangsdatum 6 juni 2004 en geldig tot 6 juni 2007. Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 27 maart 2007 tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 januari 2008 (AWB 07/43298) niet-ontvankelijk verklaard. Op 16 juli 2008 is verzoeker op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij brief van 24 juli 2008 heeft gemachtigde namens verzoeker erop gewezen dat verzoeker asiel wil aanvragen. Op 29 juli 2008 is verzoeker in de gelegenheid gesteld om zijn asielaanvraag voor bepaalde tijd in te dienen. Op 30 juli 2008 heeft het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden plaatsgevonden. In het voornemen van 1 augustus 2008 heeft verweerder te kennen gegeven voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. In de zienswijze van 2 augustus 2008 heeft verzoeker gereageerd op het voornemen. III. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst. 2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Eiser is tijdig op deze bevoegdheid gewezen. 3. De voorzieningenrechter is van oordeel, zoals uit het hierna volgende zal blijken, dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. 4.1 Allereerst ziet de voorzieningenrechter zich ambtshalve gesteld voor de vraag of de onderhavige aanvraag een herhaalde aanvraag is in de zin van artikel 4:6 van de Awb. 4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderhavige aanvraag een aanvraag betreft voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vw 2000. De procedure die aan de onderhavige voorafging, betrof een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 van de Vw 2000. De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 31 augustus 2006 (JV 2006, 420), van oordeel dat de onderhavige aanvraag, ten opzichte van de vorige aanvraag van 27 maart 2007 geen herhaalde aanvraag is, omdat de wettelijke grondslag om op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te beslissen een andere is dan die om op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te beslissen. Dit is overigens ook niet langer tussen partijen in geschil. In genoemde uitspraak van de AbRS is overwogen dat in dat geval het toetsingskader, zoals weergegeven in de uitspraak van de AbRS van 4 april 2003 (JV 2003, 319), geldt. Dit betekent dat in dit geval het beginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter kan worden voorgelegd (ne bis in idem) niet geldt. De voorzieningenrechter zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. 5. Het bestreden besluit is genomen in het kader van de aanmeldcentrum(AC)-procedure. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen. 6. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. 7. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: a. (…); b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. 8. Ingevolge artikel 31, eerst lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. 9.1. Verzoeker heeft een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: Definitierichtlijn). Daartoe heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met een toets aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 tevens is getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De prejudiciële vragen die door de AbRS aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld, zien juist op de vraag of deze twee artikelen dezelfde lading dekken. Voorts is er in Burundi sprake van een gewapend conflict tussen de regeringstroepen en de rebellen. Verzoeker heeft ter onderbouwing van dit standpunt bij zijn zienswijze verschillende stukken overgelegd. Verzoeker vreest slachtoffer te worden van dit gewapend conflict. Ten slotte leidt het oordeel dat het asielrelaas ongeloofwaardig is niet automatisch tot het oordeel dat geen geslaagd beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kan worden gedaan. 9.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit verzoekers aanvraag aangemerkt als herhaalde aanvraag. Ter zitting heeft verweerder erkend dat het hier niet gaat om een herhaalde aanvraag en verzocht de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Immers, verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag tevens aan een inhoudelijke toets onderworpen en geconcludeerd dat de aanvraag ook op inhoudelijke gronden dient te worden afgewezen. De toelatingsgrond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 omvat alle situaties die zijn beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Derhalve is met de toetsing aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 reeds aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn getoetst. Zelfs indien aan laatstgenoemd artikel een andere uitleg dient te worden gegeven, kan een beroep op dit artikel niet slagen, omdat er geen sprake is van een geloofwaardig asielrelaas. Ter zitting heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn ook niet kan slagen om de reden dat de door verzoeker gestelde vrees geen verband houdt met het door verzoeker gestelde gewapende conflict in Burundi. Met betrekking tot de vraag of er in Burundi sprake is van een gewapend conflict, neemt verweerder geen standpunt in. Wel stelt verweerder dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Burundi. 10. De voorzieningenrechter overweegt het volgende 10.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, juncto artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, kan - voor zover hier van belang - een onderdaan van een derde land voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen indien er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade die bestaat uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 10.2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Burundi en of de gestelde vrees verband houdt met het gewapende conflict. Immers, indien verzoeker niet heeft aangetoond dat zich ten tijde van het besluit in Burundi een binnenlands gewapend conflict voordeed, of als de gestelde vrees geen verband houdt met het gewapende conflict, valt hij reeds daarom niet onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De voorzieningenrechter verwijst hiertoe naar de uitspraak van de AbRS van 29 februari 2008 (JV 2008, 166). De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder eerst ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat er geen verband bestaat tussen het gestelde gewapend conflict en verzoekers vrees en dat verweerder eerst ter zitting heeft gesteld dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict in Burundi. Verzoeker heeft echter in zijn zienswijze reeds gesteld dat er sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dit met meerdere stukken onderbouwd. Nu genoemd standpunt van verweerder niet is weergegeven in het bestreden besluit, maar eerst ter zitting kenbaar is gemaakt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. 10.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om verweerders verzoek om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, te honoreren en overweegt daartoe het volgende. Eerst ter zitting heeft verweerder erkend dat er geen sprake is van een herhaalde aanvraag en heeft verweerder een aanvullend inhoudelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de vraag of een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn kans van slagen heeft. Verzoeker heeft zich derhalve niet kunnen voorbereiden op hetgeen ter zitting door verweerder is aangevoerd. De discussie omtrent het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heeft zich daarom ook nog niet uitgekristalliseerd. Doorgaans zou bovenstaande betekenen dat het onderhavige beroep niet behandeld kan worden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op prejudiciële vragen van de AbRS (zie de uitspraak van 12 oktober 2007, LJN: BB5841; JV 2007, 531). De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dit in het onderhavige geval niet nodig is. Mocht het standpunt van verweerder dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen andere toetsing behoeft dan de toetsing die wordt verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 juist blijken te zijn, dan staat vast dat verweerder in het bestreden besluit niet inhoudelijk heeft getoetst aan laatstgenoemd artikel. Verweerder is er in het bestreden besluit immers ten onrechte van uitgegaan dat er sprake was van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb en heeft ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 slechts het besluit van 22 oktober 2007 ingelast. De omstandigheid dat reeds eerder inhoudelijk aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is getoetst, is hierbij niet relevant, nu uit de onder rechtsoverweging 4.2 genoemde uitspraak van 31 augustus 2006 (JV 2006, 420) van de AbRS volgt dat artikel 4:6 van de Awb dan wel het ne bis in idem beginsel bij een aanvraag als de onderhavige niet geldt. Ook in die zin ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering. 11. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder de aanvraag niet binnen het AC heeft kunnen afwijzen. 12. Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens schending van artikel 3:46 van de Awb. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen. 13. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van beide zaken bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verzoekschrift; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1). IV. BESLISSING De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/27846 1. verklaart het beroep gegrond; 2. vernietigt het bestreden besluit; 3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 29 juli 2008; in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/27848 4. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; in beide zaken: 5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Talsma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2008. De griffier De voorzieningenrechter Afschrift verzonden op: Conc.: LT Coll: MvM D: B Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.