Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0923

Datum uitspraak2008-07-29
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 07/2
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beschikking superheffing zure boerderijzuivelprodukten


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 07/2 29 juli 2008 10300 Beschikking superheffing zure boerderijzuivelprodukten Uitspraak in de zaak van: V.o.f. Zuivelboerderij Kaamps en haar vennoten, te Deurningen, appellanten, gemachtigde: mr. T.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. M.J.C. van Amerongen, werkzaam bij verweerder. 1. De procedure Appellanten hebben bij brief van 2 januari 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 november 2006, verzonden 21 november 2006. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen zijn besluit van 31 mei 2006 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder beslist op een verzoek van appellanten van 26 september 2005 in verband met eerdere besluitvorming op grond van de Beschikking superheffing zure boerderijzuivelproducten (hierna: BZB). Bij brief van 11 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 25 juni 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen en voorts namens appellanten A is verschenen. 2. De grondslag van het geschil Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Bij besluit van 21 mei 1992 heeft verweerder aan de maatschap B en A een heffingvrije hoeveelheid melk toegekend op grond van de BZB. In deze beslissing is ten aanzien van karnemelk een omrekeningsfactor 0 gehanteerd. - Bij besluit van 9 juli 1993 heeft verweerder beslist op de bezwaren van A tegen dit besluit. Deze bezwaren hadden geen betrekking op de omrekeningsfactor ten aanzien van karnemelk. - Tegen de beslissing op bezwaar is geen beroep ingesteld. - De exploitatie van het bedrijf is nadien overgegaan op de v.o.f. Zuivelboerderij Kaamps, waarvan A en zijn echtgenote de vennoten zijn. - Bij brief van 26 september 2005 hebben appellanten in verband met vorengenoemd besluit van 21 mei 1992 het Productschap Zuivel verzocht een en ander te corrigeren en alsnog zorg te dragen voor de registratie van een extra heffingvrije hoeveelheid voor de door hen geproduceerde karnemelk. - Bij brief van 13 oktober 2005 heeft het Productschap Zuivel dit verzoek doorgestuurd aan verweerder. - Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder het verzoek afgewezen. - Appellanten hebben bij brief van 11 juli 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. - Op 25 september 2006 heeft een hoorzitting omtrent dit bezwaar plaatsgevonden. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. Voor zover het verzoek van 26 september 2005 moet worden opgevat als een aanvraag op grond van de BZB, is de aanvraag terecht afgewezen, omdat de BZB is ingetrokken en geen mogelijkheid bestaat een aanvraag in te dienen. Appellanten hebben tijdens de hoorzitting ingestemd met deze conclusie. Voor zover het verzoek moet worden opgevat als een verzoek om heroverweging van het eerdere besluit, is dit verzoek terecht afgewezen. Het eerdere besluit op grond van de BZB is rechtens onaantastbaar geworden. Ingevolge artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het noodzakelijk in een dergelijke situatie te bezien of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, die nopen het eerdere besluit te herzien. Van dergelijke nieuwe feiten en omstandigheden is geen sprake. Aangevoerd is dat is teruggekomen van het standpunt dat voor karnemelk een omrekeningsfactor 0 wordt gehanteerd en dat dit het gevolg is van een voorheen gehanteerde onjuiste uitleg van de relevante EG-verordening. Wat hiervan zij, een dwaling omtrent de uitleg van het toepasselijke recht kan niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin, aangezien in de genoemde zaken geen sprake is van gelijke gevallen. In de zaak C te D is naar aanleiding van een uitspraak van het College een heffingvrije hoeveelheid voor karnemelk toegewezen. Een in deze zaak nadien gedaan verzoek voor een aanvullende heffingvrije hoeveelheid voor karnemelk is afgewezen en het daartegen ingestelde beroep is verworpen. In een ander aangedragen geval was geen sprake van een in rechte vaststaand besluit. Hangende beroep is in die zaak op grond van nader bewijsmateriaal een heffingvrije hoeveelheid toegekend op basis van yoghurt- en kwarkproductie. Karnemelk speelde hierbij geen rol. Van de twee overige aangedragen zaken zijn geen dossiers bekend. Archiefonderzoek naar deze zaken heeft niets opgeleverd. 4. Het standpunt van appellanten Appellanten hebben, samengevat, het volgende aangevoerd. Verweerder heeft destijds voor de aangevraagde karnemelk een omrekeningsfactor 0 gehanteerd. Om die reden is de aanvraag voor karnemelk op grond van de BZB afgewezen. Dit is niet anders te zien dan dat verweerder de productie van karnemelk (bijproduct) buiten de superheffing heeft willen houden. Inmiddels is de omrekeningsfactor door verweerder gewijzigd in 1 en de productie van karnemelk alsnog onder de werking van de Beschikking superheffing komen te vallen. Dit betekent dat een melkveehouder met de productie van karnemelk ‘inteert’ op zijn referentiehoeveelheid. Dit zijn nieuwe feiten en omstandigheden die hadden moeten leiden tot het terugkomen van de eerdere beslissing tot afwijzing van een extra heffingvrije hoeveelheid voor karnemelk. Appellanten bestrijden dat een dwaling omtrent de juiste uitleg van het toepasselijke recht niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. De motivering van het bestreden besluit schiet te kort. Voorts passeert verweerder het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte met de enkele stelling dat de aangedragen gevallen niet vergelijkbaar zijn. Appellanten zijn van mening dat zij het recht hebben dit zelf te controleren en verzoeken het College verweerder op te dragen de betreffende gegevens in het geding te brengen. 5. De beoordeling van het geschil 5.1 Ter beoordeling van het College staat de vraag of de weigering van verweerder om terug te komen van het eerder op grond van de BZB genomen besluit van 21 mei 1992 in rechte stand kan houden. Het College overweegt dienaangaande als volgt. Bij toekenning van de extra heffingvrije hoeveelheid op grond van de BZB heeft verweerder in de berekening bij de bepaling van het gerealiseerde productieniveau geen rekening gehouden met de hoeveelheid door appellanten geleverde karnemelk. Gelet op hetgeen overwogen is in de - partijen bekende - uitspraak van het College van 1 mei 1997, nr. 93/1300/060/234, in de zaak van C te D heeft de berekening van de heffingvrije hoeveelheid in het voorliggende geval in het kader van de BZB derhalve niet in overeenstemming met het geldende recht plaatsgevonden. Destijds bestond echter een situatie, waarin het Productschap voor Zuivel (de COS) in navolging van de door verweerder aangehangen zienswijze, voor de berekening van mogelijk verschuldigde superheffing in het kader van de BZB geen rekening hield met de geleverde karnemelk. Feitelijk konden (de rechtsvoorgangers van) appellanten op dat moment - ongeacht hetgeen in de besluiten van 21 mei 1992 en 9 juli 1993 bepaald was - de productie van karnemelk ongehinderd voortzetten. Deze productie kon zelfs worden uitgebreid zonder dat dit gevolgen had voor eventueel verschuldigde superheffing. (De rechtsvoorgangers van ) appellanten hebben zich bij het besluit van 9 juli 1993 neergelegd en geen beroep ingesteld. Daarmee is dit besluit tussen partijen komen vast te staan. Verweerder mag zich er ook in een situatie als hier aan de orde tegenover appellanten op beroepen dat definitief op de aanvraag beslist is en aan die beslissing vasthouden. Dat zou slechts anders zijn als sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, die bij de besluitvorming destijds niet aan de orde konden komen. Het College neemt aan dat (de rechtsvoorgangers van) appellanten, zo min als verweerder, destijds onder ogen zagen, dat de levering van karnemelk onder de superheffing valt. Een dergelijke dwaling omtrent de juiste uitleg van het toepasselijke recht is evenwel geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid en vormt dus geen grond om verweerder verplicht te achten om eenmaal genomen beslissingen, die inmiddels rechtens zijn komen vast te staan, alsnog met de juiste uitleg van het recht in overeenstemming te brengen. Het College ziet ook in het betoog van appellanten dat zij als gevolg van de gewijzigde regelgeving interen op hun referentiehoeveelheid geen grond voor het oordeel dat verweerder rechtens gehouden was om van dit besluit terug te komen. Verweerder heeft terecht gesteld dat een latere wijziging van regelgeving geen novum oplevert dat tot herziening van een rechtens onaantastbaar besluit noopt. 5.2 Naar aanleiding van het beroep dat appellanten hebben gedaan op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder op grond van (archief)onderzoek geconcludeerd dat in geen van de door appellanten aangedragen zaken sprake is van gelijke gevallen. Tegenover deze onderbouwde conclusie van verweerder hebben appellanten niets gesteld dat enig aanknopingspunt geeft om aan te nemen dat verweerder in genoemde gevallen, hoewel sprake was van een rechtens ontastbaar besluit, op basis van de productie van karnemelk een heffingvrije hoeveelheid heeft toegewezen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve. 5.3 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. 6. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. H.C. Cusell, mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2008. w.g. C.M. Wolters w.g. I.C. Hof