Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0922

Datum uitspraak2008-07-29
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 06/440
Statusgepubliceerd


Indicatie

Regeling superheffing en melkpremie 2004


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 06/440 29 juli 2008 10820 Regeling superheffing en melkpremie 2004 Uitspraak in de zaak van: V.o.f. Zuivelboerderij Kaamps en haar vennoten, te Deurningen, appellanten, gemachtigden: mr. G.J.M. de Jager en mr. T.J.H.M. Linssen, beiden advocaat te Tilburg, tegen het Productschap Zuivel, verweerder, gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder. 1. De procedure Appellanten hebben bij brief van 23 mei 2006, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 april 2006. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het bericht registratie rechtstreekse verkoop in de heffingsperiode 2005/2006 op grond van de Regeling superheffing en melkpremie 2004 ongegrond verklaard. Op 3 juli 2006 hebben appellanten de gronden van het beroep aangevuld. Bij brief van 24 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 25 juni 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellanten zijn verschenen in de persoon van A, bijgestaan door mr. T.J.H.M. Linssen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten luidt voorzover hier van belang: " Artikel 1 Werkingssfeer 1. Gedurende 11 opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 2004, (hierna “tijdvakken van twaalf maanden” te noemen), wordt een heffing ingesteld (hierna “de heffing” te noemen) over de hoeveelheden koemelk en andere zuivelproducten die in het betrokken tijdvak van twaalf maanden boven de in de bijlage I vastgestelde nationale hoeveelheden worden vermarkt. (…) Artikel 12 Heffing bij rechtstreekse verkoop 1. (…) 2. Aan de hand van volgens de procedure van artikel 23, lid 2, vastgestelde criteria bepalen de lidstaten de grondslag voor de berekening van de bijdrage van de producent in de heffing die verschuldigd is op de totale hoeveelheid melk die is verkocht of doorverkocht of is gebruikt voor de vervaardiging van verkochte of doorverkochte zuivelproducten. " Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten luidde ten tijde en voorzover hier van belang als volgt: " Artikel 12 Equivalenties 1. Voor de andere producten dan melk die worden vermarkt, bepalen de lidstaten de verwerkte hoeveelheden melk. Voor room en boter zijn de daarbij te hanteren equivalenties: a) 1 kg room = 0,263 kg melk x in massaprocenten uitgedrukt vetgehalte van de room, b) 1 kg boter = 22,5 kg melk. Voor kaas en alle andere zuivelproducten bepalen de lidstaten de equivalenties, daarbij in het bijzonder rekening houdend met het drogestofgehalte en het vetgehalte van de betrokken soorten kaas of andere producten. (…) " De Regeling superheffing en melkpremie 2004 (hierna: de Regeling) luidde ten tijde en voorzover hier van belang als volgt: " Artikel 23 1. Het productschap stelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de commissieverordening de melkequivalenties vast voor andere zuivelproducten dan room en boter. " De Zuivelverordening uitvoering regeling superheffing 2004 (hierna: Zuivelverordening 2004) luidde ten tijde en voorzover hier van belang: " Artikel 6 1. Het melkequivalent van room en boter wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 12, eerste lid, onderdeel a en b, van de commissieverordening. 2. Voor de vaststelling van het melkequivalent van kaas wordt 1 kg kaas gelijkgesteld met 9,5 kg melk. Rekening houdend met het drogestofgehalte en het vetgehalte van de betrokken kaassoort kan een lagere factor dan 9,5 worden gehanteerd, indien de producent ten genoegen van het productschap aantoont dat voor de bereiding van die kaassoort een lagere hoeveelheid melk wordt gebruikt. Dit geldt niet, indien de kaas is bereid uit melk waaraan vet is onttrokken en het betrokken melkvet bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing niet is meegeteld. 3. Voor de vaststelling van het melkequivalent van andere zuivelproducten dan bedoeld in het eerste en tweede lid wordt: - indien het yoghurt, pap, vla en andere vloeibare zuivelproducten betreft, de factor 1 gehanteerd; - indien het kwark betreft, de factor 3 gehanteerd. 4. Indien de in het derde lid bedoelde producten zijn bereid uit melk waaraan melkvet is onttrokken en het betrokken melkvet bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing is meegeteld, wordt met inachtneming hiervan een lagere hoeveelheid vastgesteld. 5. (…) " 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - In de heffingsperiode 2004/2005 heeft verweerder op naam van appellanten een consumentenquotum van 1.215.779 kg melk geregistreerd. - Appellanten hebben voor de heffingsperiode 2004/2005 opgave gedaan van de rechtstreekse verkoop van 1.555 kg boter, 33.418 kg karnemelk (onder vermelding 1% vet), 81.304 kg boerenkaas (Goudse), 46.160 kg boerenkaas 25+, bereid uit ontroomde melk, (Leidse, onder vermelding: graag omrekening 3,0 zoals wij dit altijd hadden), 1756 kg volle kwark (7,2% vet), 2070 kg volle melk (4,5% vet), 12.623 kg halfvolle melk (1.6%, bereid uit ontroomde melk), 18.246 kg yoghurt (4,1 % vet), 11.778 kg halfvolle yoghurt (1,6 % vet, bereid uit ontroomde melk) en 7.210 kg vla (4,1 % vet). - Bij brief van 17 juni 2005 heeft verweerder appellanten, voor zover van belang, als volgt bericht: “ Op 13 mei 2005 hebben wij uw “opgaveformulier rechtstreekse verkoop in de heffingsperiode 2004/2005” ontvangen. U heeft producten bereid uit melk waaraan melkvet is onttrokken. Omdat u het betrokken melkvet heeft opgegeven bij de verkochte of overgedragen producten, wordt voor de boerenkaas (leidse) een omrekeningsfactor van 9,5 gehanteerd onder aftrek van het melkequivalent van de opgegeven hoeveelheid boter.” - Bij besluit van 17 juni 2005 heeft verweerder op basis van de gecorrigeerde opgave de totale hoeveelheid melkequivalent berekend op 1.206.411 kg melk, en geregistreerd in de heffingsperiode 2004/2005. Hierbij is voor de boerenkaas (Goudse) een omrekeningsfactor gehanteerd van 9,5 en voor de yoghurt (halfvol) en de consumptiemelk (halfvol) een omrekeningsfactor van 1. Tevens is appellanten meegedeeld dat zij terzake van de rechtstreekse verkoop in de periode 2004/2005 geen superheffing verschuldigd zijn. - Bij brief van 29 juli 2005, aangevuld bij brief van 15 september 2005 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 juni 2005. - Appellanten zijn op 21 maart 2006 terzake van hun bezwaren gehoord. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe het volgende overwogen. “ Uitgangspunt in de Raadsverordening (artikel 12, lid 2) en in de Commissieverordening (artikel 12) is dat met het oog op de berekening van de verschuldigde superheffing de totale hoeveelheid melk die is gebruikt voor de vervaardiging van de betrokken zuivelproducten in aanmerking moet worden genomen. Daartoe zijn voor de verschillende producten melkequivalenties bepaald, voor room en boter in Verordening (EG) nr. 595/2004 en voor alle andere producten in de Zuivelverordening uitvoering regeling superheffing 2004. De verkochte producten zijn conform de vastgestelde melkequivalenties omgerekend. Aan enkele producten (magere boerenkaas, karnemelk, halfvolle melk en halfvolle yoghurt) is melkvet onttrokken dat is geleverd in de vorm van boter. Omdat het betrokken melkvet bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing is meegeteld, is, teneinde een dubbeltelling te voorkomen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van de Zuivelverordening uitvoering regeling superheffing 2004 het melkequivalent van de geleverde boter (1.555 x 22,5 = 34.988 kg) in mindering gebracht.” Naar aanleiding van het desbetreffend bezwaar van appellanten heeft verweerder voorts de regelgeving met betrekking tot de inning van superheffing uiteengezet. 4. Het standpunt van appellanten Appellanten menen dat de omrekeningsfactor die is gehanteerd voor boerenkaas (Goudse) en voor yoghurt (halfvol) en consumptiemelk (halfvol) geen recht doet aan de feitelijke situatie en in neerwaartse zin moet worden bijgesteld. Huns inziens zijn er redenen om de factoren die voorheen zijn gebruikt te hanteren. Appellanten menen dat de regelgeving waarin de door verweerder gehanteerde omrekeningsfactoren zijn neergelegd, onverbindend is dan wel jegens hen buiten toepassing moet worden gelaten in verband met strijd met hogere regelgeving. Appellanten hebben er voorts op gewezen dat verweerder, naar zij hebben geconstateerd, bij derden niet overgaat tot inning van superheffing. De verwijzing door verweerder naar de regelgeving terzake maakt niet duidelijk hoe er gehandhaafd wordt. Dit betekent dat verweerder ook jegens hen geen aanspraak kan maken op betaling van superheffing. 5. De beoordeling van het geschil 5.1 Appellanten hebben verweerders standpunt dat de berekening van de geleverde hoeveelheid melkequivalent ook wat betreft de door appellanten genoemde producten, heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften niet bestreden. Zij menen echter dat verweerder voor bedoelde producten, in afwijking van die voorschriften, een lagere omrekeningsfactor had moeten hanteren, die meer recht doet aan de feitelijk verwerkte hoeveelheid melk. Het College volgt die opvatting niet. Appellanten hebben hun stelling dat de omrekeningsfactoren in het geval van appellanten zijn toegepast in strijd met een hogere regeling niet met enig argument onderbouwd. Uitgangspunt van de artikelen 1 en 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1788/2003 is dat bij de registratie van de rechtstreekse verkoop van zuivelproducten als hier in geding de uitgangsmelk steeds op enigerlei wijze bij de vaststelling van de heffingsgrondslag dient te woorden meegeteld: hetzij bij de verantwoording van het betrokken zuivelproduct, hetzij bij de verantwoording van daarnaast geleverde producten waarin het uit dezelfde uitgangsmelk onttrokken vet is verwerkt, zoals boter of room. Voor de situatie waarin een kleinere hoeveelheid melk is gebruikt voor het verkrijgen van kaas dan berekend wordt op grond van de omrekeningsfactor 9,5, is in artikel 6, tweede lid, van de Zuivelverordening 2004 de mogelijkheid opgenomen voor de producent om dit ten genoegen van het productschap aan te tonen. Appellanten hebben van die mogelijkheid evenwel geen gebruik gemaakt. Voor zover, zoals in het geval van appellanten, een deel van de melk waaruit de magere producten zijn bereid, reeds verantwoord is via levering van uit dezelfde melk verkregen boter, stelt verweerder met inachtneming hiervan op grond van voormeld artikel 6, vierde lid, een kleinere hoeveelheid melk vast, om dubbeltelling te voorkomen. Aan deze bepaling is door verweerder ten aanzien van appellanten toepassing gegeven. Dat verweerder, door niet tot een verdergaande neerwaartse aanpassing van de registratie te besluiten, onrechtmatig heeft gehandeld, is het College niet kunnen blijken. 5.2 Met betrekking tot de grieven van appellanten tegen de wijze waarop verweerder de door andere producenten verschuldigde superheffing int, overweegt het College dat het besluit dat de grondslag vormt van deze procedure - het registratiebericht - op dit punt geen beslissing inhoudt. Tegen de in het besluit op bezwaar door verweerder op zijn handelwijze gegeven toelichting, die op zichzelf evenmin een besluit inhoudt, staat dan ook geen beroep open bij het College. Aan hetgeen appellanten hierover te berde hebben gebracht zal daarom voorbijgegaan worden. 5.3 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding. 6. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. H.C. Cusell en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2008. w.g. C.M. Wolters w.g. I.C.Hof