Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0916

Datum uitspraak2008-07-31
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 08/184
Statusgepubliceerd


Indicatie

Kaderwet EZ-subsidies Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 08/184 31 juli 2008 27307 Kaderwet EZ-subsidies Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties Uitspraak in de zaak van: Maatschap A, te B, appellante, gemachtigde: mr. F.J.B.A. Duijnstee, werkzaam bij Accon Avm Juridisch Advies B.V., tegen de Minister van Economische Zaken, verweerder, gemachtigden: mr. C. Cromheecke en mr. J. van Essen, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem. 1. De procedure Appellante heeft bij brief van 7 maart 2008, bij het College op die datum binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 januari 2008. Hierbij heeft zij verzocht om versnelde behandeling van het beroep op de voet van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij het besluit van 28 januari 2008 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de toewijzing van haar aanvraag voor subsidie op grond van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistinginstallaties (hierna: Regeling) ongegrond verklaard. Bij brief van 1 maart (lees: april) 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 20 mei 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij aan de zijde van appellante zijn verschenen haar gemachtigde alsmede C, vennoot van appellante. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts is voor verweerder verschenen J.B. Agterhuis, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem. 2. De grondslag van het geschil 2.1 In de Regeling is, voor zover hier van belang, onder meer het volgende vermeld: “ Artikel 4 1. De Minister stelt de maximum jaarproductie in kWh van de subsidie-ontvanger vast op basis van een opgave van de subsidie-aanvrager die is onderbouwd met gegevens betreffende de capaciteit van de vergistingsinstallatie. (…). Artikel 7 1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1. 2. De aanvraag gaat, overeenkomstig hetgeen op het formulier is vermeld vergezeld van: a. een gespecificeerde omschrijving van de vergistingsinstallatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. een onderbouwde opgave van de maximum jaarlijkse hoeveelheid op te wekken en in te voeden kWh; (…).” In de Awb is, voor zover hier van belang, onder meer het volgende bepaald: “ Artikel 4:2 (…) 2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.” 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Op 19 december 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van de oprichting en ingebruikname van een biomassavergistingsinstallatie op het perceel D te B. - Bij brief van 31 mei 2007 heeft appellante onder meer het volgende aan verweerder meegedeeld: “ Bij de opgave in de aanvraag is per abuis een onjuiste opgave van vraag 7 opgegeven. Er is 6.390.885 kWh opgevoerd als verwachte te produceren kWh. Zoals in de bijgevoegde offerte van Envitec (zie aanvraag) te zien is, wordt deze productie verwacht voor 1 motor, terwijl er bij vraag 4 van de aanvraag 2 motoren zijn weergegeven (2 x 836 kW). Dit komt dus uit op 1,672 MWe. Vermenigvuldigd met een maximale vollast van 7000 uur zou dit een productie betekenen van 12.372.800 kWh.” - Bij brief van 15 juni 2007 heeft verweerder de aanvraag toegewezen. Hierbij is verweerder uitgegaan van een maximale jaarlijkse hoeveelheid te produceren duurzame elektriciteit van 6.391 MWh. - Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 juli 2007 bezwaar gemaakt. Het bezwaar richt zich tegen de door verweerder gehanteerde jaarlijkse maximale hoeveelheid te produceren duurzame elektriciteit. Deze hoeveelheid van 6.391 MWh is gebaseerd op één motor, terwijl de aanvraag is gedaan voor twee motoren. Volgens appellante is sprake van een kennelijke vergissing in het aanvraagformulier en dient de jaarlijkse productiehoeveelheid te worden verdubbeld. - Bij brief van 6 december 2007 heeft appellante op verzoek van verweerder nadere informatie verschaft omtrent het nominaal elektrisch vermogen van de vergistingsinstallatie en de samenstelling en technische gegevens van deze installatie. Bij deze gelegenheid heeft appellante onder meer een aangepaste offerte van EnviTec van 15 juni 2007 overgelegd. Hierin wordt uitgegaan van twee motoren met een gezamenlijk vermogen van 1,672 MWe en een ten opzichte van de eerdere offerte gewijzigde ‘input’ voor de installatie. Dit resulteert blijkens de offerte in een productiehoeveelheid van ongeveer 13.000 MWh. - Op 10 december 2007 is appellante op haar bezwaren gehoord. - Naar aanleiding van de hoorzitting heeft appellante bij brief van 4 januari 2008 nadere stukken ingediend en enkele vragen van verweerder die tijdens de hoorzitting waren opgekomen, beantwoord. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn toewijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd en geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijke vergissing. In dit verband wijst hij erop dat de raming van de jaarlijkse productiehoeveelheid wordt onderbouwd door de bij de aanvraag gevoegde offerte van Envitec Biogas van 10 januari 2006, in welke offerte wordt uitgegaan van één motor. De in de beslissing op bezwaar gehanteerde productiehoeveelheid is technisch haalbaar. Op basis van deze informatie heeft verweerder de aanvraag beoordeeld en het subsidiebedrag bepaald. Als de stelling van appellante dat de aanvraag betrekking heeft op twee motoren zou worden gevolgd, zouden ook andere gegevens in de aanvraag moeten worden aangepast. Zonder deze aanpassingen is de door appellante gestelde productie namelijk niet mogelijk. De voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde milieuvergunning waar appellante over beschikt, gaat ook uit van een hoeveelheid stoffen die vergist wordt door een installatie met één motor. 4. Het standpunt van appellante Appellante voert aan dat de in de aanvraag gedane opgave van de maximaal op jaarbasis te produceren hoeveelheid duurzame elektriciteit is gebaseerd op een kennelijke vergissing. Appellante heeft per abuis een verkeerd getal ingevuld. Dit heeft zij in de brief aan verweerder van 31 mei 2007, dus nog voordat het besluit tot subsidieverlening is genomen, ook kenbaar gemaakt. Verweerder gaat er ten onrechte van uit dat er alleen sprake is van een kennelijke vergissing als deze is aan te merken als een onmiskenbare vergissing. In het onderhavige geval had verweerder niet mogen afgaan op de juistheid van de gegevens in de aanvraag. Verweerder had de opgave van de jaarlijkse productiehoeveelheid moeten toetsen aan de gegevens waarmee de aanvraag was onderbouwd. Verweerder was in dat geval tot de conclusie gekomen dat de opgegeven jaarproductie niet realistisch was. Ter zitting voor het College heeft appellante verwezen naar een uitspraak van het College van 20 maart 2008 (AWB 07/677, www.rechtspraak.nl, LJN BC7463), eveneens betrekking hebbende op een subsidieaanvraag op grond van de Regeling, waarin het College van oordeel was dat verweerder bij een tegenstrijdigheid in de aanvraag navraag moet doen bij de aanvrager, alvorens op de aanvraag te beslissen. 5. Het nader standpunt van verweerder In het verweerschrift erkent verweerder dat het door appellante ingediende aanvraagformulier een tegenstrijdigheid bevat. Bij vraag 4 van het formulier is kennelijk bedoeld te vermelden dat de installatie twee motoren heeft, terwijl in de bij de aanvraag gevoegde offerte is uitgegaan van één motor. De stelling van appellante dat verweerder de door haar geraamde productiehoeveelheid had moeten verdubbelen omdat sprake is van een kennelijke vergissing in de aanvraag, wordt door verweerder echter verworpen. De in de aanvraag vermelde productiehoeveelheid is technisch gezien realiseerbaar met een vergistingsinstallatie met één motor. De jaarlijkse productiehoeveelheid die met de installatie kan worden gerealiseerd, is bepalend voor de vaststelling van het subsidiebedrag. De tegenstrijdigheid in de aanvraag met betrekking tot het aantal motoren heeft verweerder dan ook niet tot de conclusie doen komen dat ten aanzien van de productiehoeveelheid sprake is van een vergissing in de aanvraag. 6. De beoordeling van het geschil 6.1 Tussen partijen is in geschil of verweerder bij het in bezwaar gehandhaafde besluit tot subsidieverlening terecht de door appellante in haar aanvraag opgegeven raming van de maximale jaarlijkse hoeveelheid te produceren duurzame elektriciteit van 6.391 MWh als uitgangspunt heeft genomen. Het College overweegt hieromtrent als volgt. 6.2 Op het aanvraagformulier als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Regeling dient de aanvrager ten behoeve van het vaststellen van het maximaal te subsidiëren aantal kWh een opgaaf te doen van de maximaal op jaarbasis te produceren hoeveelheid duurzame elektriciteit. Het aanvraagformulier vermeldt hierover bij vraag 7: “Deze opgaaf dient in overeenstemming te zijn met de capaciteit van de vergistingsinstallatie”. Appellante heeft op het door haar ingediende aanvraagformulier vermeld dat de geraamde productiehoeveelheid van de vergistingsinstallatie waarvoor subsidie wordt gevraagd 6.390,885 MWh bedraagt. Deze productiehoeveelheid komt overeen met de hoeveelheid genoemd in de bij de aanvraag gevoegde offerte van EnviTec van 10 januari 2006. Bij vraag 4 van het aanvraagformulier dient de aanvrager het nominaal opgesteld elektrisch vermogen van de vergistingsinstallatie op te geven. Volgens opgave van appellante bedraagt dit vermogen 1,672 MWe (2 x 836). In de eerder genoemde bij de aanvraag gevoegde offerte wordt uitgegaan van één motor met een vermogen van 836 MWe. 6.3 Het College is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een vergissing die tot vernietiging van het bestreden besluit zou moeten leiden. Hierbij neemt het College in aanmerking dat in de aanvraag weliswaar sprake is van een tegenstrijdigheid - die door verweerder ook niet wordt ontkend -, doch dat de door appellante in haar aanvraag genoemde maximale jaarlijkse hoeveelheid te produceren duurzame elektriciteit wordt onderbouwd door de bij de aanvraag gevoegde offerte-informatie met betrekking tot de door appellante te exploiteren biogasinstallatie. In zoverre verschilt de onderhavige zaak van de door appellante aangehaalde uitspraak van het College van 20 maart 2008 (AWB 07/677), waarin de gegevens in de aanvraag niet werden onderbouwd door de bij de aanvraag gevoegde offerte. Bovendien heeft verweerder appellante in het onderhavige geval - in tegenstelling tot hetgeen aan de orde was in eerder genoemde uitspraak - in de bezwaarprocedure tot tweemaal toe verzocht om nadere inlichtingen met betrekking tot de tegenstrijdigheid in de aanvraag. Onder deze omstandigheden kan verweerder geen onzorgvuldige besluitvorming worden verweten. 6.4 Het College is voorts van oordeel dat appellante in de bezwaarfase niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de door haar te exploiteren vergistingsinstallatie sprake is van een hogere jaarlijkse productiehoeveelheid dan de hoeveelheid vermeld in haar subsidieaanvraag. Het College onderschrijft het standpunt van verweerder dat wanneer de stelling van appellante dat de aanvraag betrekking heeft op twee motoren zou worden gevolgd, andere gegevens in de aanvraag - waaronder de samenstelling en de hoeveelheid van de te vergisten stoffen - ook aanpassing behoeven. Dat blijkt overigens ook uit de gewijzigde offerte van Envitec, die appellante bij haar brief van 6 december 2007 aan verweerder heeft gezonden. Dit leidt tot een substantiële wijziging van de aanvraag die te ver verwijderd is van de oorspronkelijke aanvraag. 6.5 Het voorgaande in aanmerking genomen is het College van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van appellante terecht de in haar aanvraag opgegeven raming van de maximale jaarlijkse hoeveelheid te produceren duurzame elektriciteit van 6.391 MWh als uitgangspunt heeft genomen. 6.6 Het College komt tot de slotsom dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het primaire besluit terecht ongegrond heeft verklaard. 6.7 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. 6.8 Voor een vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb ziet het College geen aanleiding. 7. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.A. van der Ham en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2008. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Douwes