
Jurisprudentie
BF0908
Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers200.009.475/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers200.009.475/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Wat betreft de vraag of het beslag op grond van een afweging van de wederzijdse belangen voor opheffing in aanmerking komt overweegt het hof als volgt. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van zijn beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Het hof voegt daar nog aan toe dat de enkele omstandigheid dat het besluit, waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, nog niet onherroepelijk is, niet een dermate zwaar gewicht in de schaal werpt dat het beslag om die reden opgeheven dient te worden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat van de zijde van [appellant] geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan in het kader van dit kort geding aannemelijk is geworden dat de vordering van de gemeente ondeugdelijk is, terwijl de gemeente juist een groot belang heeft bij handhaving van het beslag teneinde zich tezijnertijd (indien nog aan de orde) op de beslagen zaken te kunnen verhalen. Ook dit onderdeel van de grief faalt derhalve.
Uitspraak
Arrest d.d. 16 september 2008
Zaaknummer 200.009.475/01
HET GERECHTSHOF TE ARNHEM
Nevenzittingsplaats Leeuwarden
Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. J.W. Kobossen, kantoorhoudende te Nijmegen,
tegen
de gemeente Noordoostpolder,
zetelende te Emmeloord,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. H. van Ravenhorst, kantoorhoudende te Arnhem.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding- vonnis uitgesproken op 6 juni 2008 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 1 juli 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de gemeente tegen de zitting van 15 juli 2008.
Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende grieven, luidt:
''te vernietigen het vonnis in kort geding van 6 juni 2008, onder rolnummer 144632 KG ZA 08-117, door de rechtbank Zwolle-Lelystad gewezen, en opnieuw rechtdoende bij arrest, de vorderingen van appellant alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.''
Bij memorie van antwoord is door de gemeente verweer gevoerd met als conclusie:
''- voor zover nodig onder verbetering van de gronden en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - het beroepen vonnis te bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.''
Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft één grief opgeworpen.
De beoordeling
1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.4) van genoemd vonnis d.d. 6 juni 2008 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Het hof zal deze feiten hierna verkort weergeven, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep alsnog zijn komen vast te staan.
1.1 [appellant] heeft in 2004 op zijn percelen aan [adressen] (waar hij een agrarisch bedrijf exploiteert) twee windturbines opgericht.
1.2 Tijdens de bouw van de windturbines heeft de gemeente bij besluit van 6 april 2004 aan [appellant] een bouwstop opgelegd onder last van een dwangsom. [appellant] heeft de bouwstop genegeerd. Het door [appellant] tegen voormeld besluit ingestelde beroep bij de bestuursrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad is door hem ingetrokken. Bij dwangbevel van 22 februari 2006 heeft de gemeente betaling van de verbeurde dwangsommen, vermeerderd met rente en kosten (in totaal circa € 165.000,00), ingevorderd. [appellant] heeft aan het bevel tot betaling geen gevolg gegeven, waarop de gemeente op 13 april 2007 executoriaal beslag heeft doen leggen op diverse onroerende zaken van [appellant]. [appellant] heeft tegen dit dwangbevel verzet ingesteld bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard. Dit hof heeft bij arrest van 1 april 2008 het vonnis bekrachtigd.
1.3 De gemeente heeft bij besluit van 26 september 2006 [appellant] aangeschreven om de hiervoor bedoelde turbines te verwijderen, bij gebreke waarvan hij dwangsommen verbeurt. [appellant] heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend en tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad (sector bestuursrecht) verzocht om het besluit te schorsen. Dit verzoek is bij uitspraak van 16 februari 2007 afgewezen. Thans is bedoeld besluit (althans de beslissing op bezwaar) nog voorwerp van een beroepsprocedure bij de bestuursrechter van genoemde rechtbank.
1.4 [appellant] heeft geen gevolg gegeven aan de last onder dwangsom.
1.5 De gemeente heeft op 12 juni 2007 een dwangbevel uitgevaardigd, waarbij zij de (volgens haar) tot dan toe door [appellant] verbeurde dwangsommen ad
€ 550.000,00, vermeerderd met rente en kosten, heeft ingevorderd.
1.6 Het dwangbevel is op 15 juni 2007 aan [appellant] betekend.
1.7 De gemeente heeft op 11 januari 2008 executoriaal beslag gelegd op diverse onroerende zaken van [appellant]. Op deze zaken rustte reeds executoriaal beslag uit hoofde van het in r.o. 1.2 bedoelde dwangbevel.
1.8 [appellant] heeft bij dagvaarding van 27 februari 2008 verzet gedaan tegen het dwangbevel van 12 juni 2007 en heeft gevorderd dat hij wordt ontheven van de verplichtingen als bedoeld in het dwangbevel.
2. [appellant] heeft bij de inleidende dagvaarding kort gezegd gevorderd dat de gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld om het op 11 januari 2008 gelegde beslag op te heffen. De voorzieningenrechter heeft bij het beroepen vonnis de vordering afgewezen.
3. Het hof zal allereerst beoordelen of [appellant] over voldoende (spoedeisend) belang bij zijn vordering beschikt. De gemeente heeft betwist dat dit het geval is.
3.1 De gemeente heeft allereerst naar voren gebracht dat [appellant] had kunnen afzien van het uitbrengen van de appeldagvaarding omdat partijen op 3 juli 2008 overleg hebben gevoerd, waarbij is afgesproken dat [appellant] zal meewerken aan verwijdering van de turbines van hun huidige funderingen. Voorts is besproken dat in geval een vaststellingsovereenkomst tot stand komt, na de verwijdering geen verdere invorderingsmaatregelen ten aanzien van de verbeurde dwangsommen uit hoofde van het dwangbevel van 12 juni 2007 zullen volgen. Een en ander zal worden vastgelegd in een concept-vaststellingsovereenkomst, waarvoor [appellant] het initiatief zal nemen. Na ondertekening zullen de beslagen worden opgeheven, aldus nog steeds de gemeente. Het hof overweegt hieromtrent dat, voor zover de gemeente hiermee heeft willen betogen dat [appellant] geen belang heeft bij zijn hoger beroep, dit betoog reeds strandt vanwege de omstandigheid dat de gemeente zelf heeft gesteld dat er nog geen (definitieve) vaststellingsovereenkomst is gesloten.
3.2 Wat betreft het al dan niet aanwezig zijn van een voldoende spoedeisend belang overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft gesteld dat de kredietruimte van zijn onderneming bij de bank - welke kredietruimte verband houdt met de onroerende zaken waarop door de gemeente beslag is gelegd - door de opeenvolgende beslagleggingen op onverantwoorde wijze wordt bekort en dat hij als gevolg daarvan niet in staat zal zijn om uitvoering te geven aan zijn wens om begin oktober 2008 gronden te verwerven in de nabijheid van zijn onderneming, die omstreeks dat moment te koop zullen worden aangeboden. Het hof is van oordeel dat [appellant] hiermee voldoende heeft gesteld om ervan te kunnen uitgaan dat hij een spoedeisend belang heeft bij een onmiddellijke voorziening bij voorraad.
4. [appellant] stelt met grief 1 aan de orde dat het beroepen vonnis in strijd is met de wet. Volgens hem ontbreekt er een grond voor het leggen van executoriaal beslag nu het doen van verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorst (art. 5:33 in samenhang met art. 5:26 lid 4 Awb). Hiermee is onverenigbaar dat de gemeente het executoriale beslag laat voortduren, aldus [appellant]. Voorts heeft hij aangevoerd dat de voorzieningenrechter bij de afweging van de wederzijdse belangen ten onrechte de balans ten gunste van de gemeente heeft laten doorslaan. Volgens hem had de voorzieningenrechter in aanmerking moeten nemen dat het gaat om de inning van dwangsommen op grond van een nog niet onherroepelijk besluit, terwijl hij ([appellant]) als gevolg van het beslag schade lijdt en bovendien diverse pogingen heeft gedaan om het geschil met de gemeente over de turbines op te lossen, hetgeen zijns inziens uitsluitend door toedoen van de gemeente niet is gelukt.
5. Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verzet is gedaan tegen het dwangbevel niet meebrengt dat handhaving van het (executoriale) beslag als onrechtmatig jegens [appellant] moet worden bestempeld en dat dit beslag om die reden opgeheven moet worden. Het verzet schorst weliswaar de executie van het dwangbevel, als gevolg waarvan de gemeente niet kan overgaan tot uitwinning van de in executoriaal beslag genomen onroerende zaken, maar een reeds gelegd beslag blijft liggen. Het leggen en handhaven van beslag betreft immers niet de executie als zodanig, maar gaat aan de eigenlijk executie vooraf. In zoverre faalt de grief.
6. Wat betreft de vraag of het beslag op grond van een afweging van de wederzijdse belangen voor opheffing in aanmerking komt overweegt het hof als volgt. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van zijn beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Het hof voegt daar nog aan toe dat de enkele omstandigheid dat het besluit, waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, nog niet onherroepelijk is, niet een dermate zwaar gewicht in de schaal werpt dat het beslag om die reden opgeheven dient te worden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat van de zijde van [appellant] geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan in het kader van dit kort geding aannemelijk is geworden dat de vordering van de gemeente ondeugdelijk is, terwijl de gemeente juist een groot belang heeft bij handhaving van het beslag teneinde zich tezijnertijd (indien nog aan de orde) op de beslagen zaken te kunnen verhalen. Ook dit onderdeel van de grief faalt derhalve.
De slotsom
7 Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief VII, 1 punt).
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de gemeente tot aan deze uitspraak op € 303,-- aan verschotten en € 3.895,00 aan salaris voor de procureur.
Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 september 2008 in bijzijn van de griffier.