Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0907

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.002.328
Statusgepubliceerd


Indicatie

De grief berust op onjuiste lezing van het beroepen vonnis. [appellant] betoogt immers dat ABN niet is geslaagd in een aan haar gegeven bewijsopdracht aangezien zij niet heeft bewezen dat in de samenstelling van de hoofdsom de (niet uitgewonnen) bankgarantie niet is meegenomen. Een dergelijke bewijsopdracht is aan ABN niet gegeven. In tegendeel, de rechtbank heeft in het niet met grieven bestreden tussenvonnis van 4 april 2007 overwogen dat het niet aan ABN is om te bewijzen of een bankgarantie in de gevorderde hoofdsom is opgenomen, maar dat dit door [appellant] aangedragen verweer een bevrijdend verweer is waarvan [appellant] de bewijslast draagt. Nu dat oordeel niet met enige grief is bestreden, moet het - wat er verder ook van zijn moge - ook in hoger beroep voor juist worden gehouden. [appellant] heeft evenwel in dit verband geen bewijsaanbod gedaan en heeft ook niet voldoende gemotiveerd aangevoerd dat het bedrag van de bankgarantie in de schuld is verwerkt. Bij dit alles laat het hof nog daar dat ABN zich onbestreden op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden heeft beroepen, die bepalen (i) dat een gewaarmerkt afschrift van de stand van de rekening zoals dat in het geding is gebracht behoudens tegenbewijs tot volledig bewijs geldt, en (ii) dat de inhoud van de rekenafschriften van de bank als door [appellant] goedgekeurd gelden als zij niet binnen twaalf maanden door hem zijn betwist.


Uitspraak

Arrest d.d. 16 september 2008 Rolnummer 107.002.328 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant] , wonende te [woonplaats appellant], appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [appellant], toevoeging, advocaat: mr. J.J. Achterveld, tegen ABN AMRO Bank NV, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: ABN, advocaat: mr. R.W. de Casseres. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 3 januari 2007, 4 april 2007 en 19 september 2007 door de rechtbank Groningen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 14 december 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 19 september 2007 met dagvaarding van ABN tegen de zitting van 9 januari 2008. De conclusie van de memorie van grieven luidt: ''te vernietigen het vonnis gewezen tussen partijen op 19 september 2007 door de rechtbank Groningen, sector civiel recht, en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en of verbetering der gronden bij arrest de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen door haar daar in niet ontvankelijk te verklaren dan wel te ontzeggen, met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van beide instanties alsmede haar arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.'' Bij memorie van antwoord is door ABN verweer gevoerd met als conclusie: ''[appellant] niet ontvankelijk te verklaren in diens vordering danwel hem deze vordering te ontzeggen met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.'' Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellant] heeft twee grieven opgeworpen. De beoordeling De feiten 1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 4 april 2007 onder 2 (2.1 tot en met 2.3) een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan. Het volgende staat vast. 2. Op een door [appellant] bij ABN afgesloten rekening met rekeningnummer [rekeningnummer] is een debetstand ontstaan. Omdat [appellant] niet voldeed aan de hieruit jegens ABN voortvloeiende verplichtingen - aflossing van de schuld - is de vordering ter incassering uit handen gegeven aan Jongejan Rosier Weggemans Wisseborn c.s. gerechtsdeurwaarders. Tussen [appellant] en de gerechtsdeurwaarders is vervolgens telefonisch een betalingsregeling tot stand gekomen. [appellant] is deze regeling op enig moment niet meer nagekomen. De grieven 3. Met grief 1 handhaaft [appellant] het door de rechtbank verworpen verweer dat het bedrag van de bankgarantie van fl. 4.656,= (€ 2.112,80) ten onrechte in de hoofdsom en de rente is begrepen. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Voorts overweegt het hof het volgende. 4. De grief berust op onjuiste lezing van het beroepen vonnis. [appellant] betoogt immers dat ABN niet is geslaagd in een aan haar gegeven bewijsopdracht aangezien zij niet heeft bewezen dat in de samenstelling van de hoofdsom de (niet uitgewonnen) bankgarantie niet is meegenomen. Een dergelijke bewijsopdracht is aan ABN niet gegeven. In tegendeel, de rechtbank heeft in het niet met grieven bestreden tussenvonnis van 4 april 2007 overwogen dat het niet aan ABN is om te bewijzen of een bankgarantie in de gevorderde hoofdsom is opgenomen, maar dat dit door [appellant] aangedragen verweer een bevrijdend verweer is waarvan [appellant] de bewijslast draagt. Nu dat oordeel niet met enige grief is bestreden, moet het - wat er verder ook van zijn moge - ook in hoger beroep voor juist worden gehouden. [appellant] heeft evenwel in dit verband geen bewijsaanbod gedaan en heeft ook niet voldoende gemotiveerd aangevoerd dat het bedrag van de bankgarantie in de schuld is verwerkt. Bij dit alles laat het hof nog daar dat ABN zich onbestreden op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden heeft beroepen, die bepalen (i) dat een gewaarmerkt afschrift van de stand van de rekening zoals dat in het geding is gebracht behoudens tegenbewijs tot volledig bewijs geldt, en (ii) dat de inhoud van de rekenafschriften van de bank als door [appellant] goedgekeurd gelden als zij niet binnen twaalf maanden door hem zijn betwist. 5. Grief 2 heeft naast grief 1 geen zelfstandige betekenis en zal om die reden onbesproken blijven. 6. Het bewijsaanbod zal als niet ter zake doende en bovendien (voor zover [appellant] enige bewijslast draagt) als zijnde ongespecificeerd worden gepasseerd. De slotsom 7. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief I, 1 punt). De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van ABN tot aan deze uitspraak op € 402,= aan verschotten en € 632,= aan geliquideerd salaris voor de advocaat. Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Telman, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 september 2008 in bijzijn van de griffier.