Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0905

Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.001.731/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

De huwelijksgemeenschap tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is ontbonden per 23 april 2003. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad behoort het aandeel van een firmant van een v.o.f. tot het privé-vermogen van de firmant en valt dit niet in de huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat ook de schulden die de firmant/echtgenoot in het kader van de uitoefening van de v.o.f. heeft gemaakt, als privé-schulden moeten worden aangemerkt en derhalve niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Voor wat betreft de schuld van [geïntimeerde 1] waarop [appellant] zich in het onderhavige geval beroept, geldt het volgende. Volgens [appellant] zou het gaan om een schuld die zijn oorsprong vindt in onbetaald gebleven crediteuren van de v.o.f., te weten van de vestiging die gedreven werd door [geïntimeerde 1], alsmede in gelden die [geïntimeerde 1] zou hebben opgenomen in rekening-courant van de v.o.f.


Uitspraak

Arrest d.d. 16 september 2008 Rolnummer 107.001.731/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant] , wonende te [woonplaats appellant], appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. L. Hoekstra, tegen 1. [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats geïntimeerde] , hierna te noemen: [geïntimeerde 1], niet verschenen, 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats geïntimeerde 2], toevoeging, hierna te noemen: [geïntimeerde 2], advocaat: mr. B. Hiemstra. geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 17 januari 2007 door de rechtbank Leeuwarden. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 12 april 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tegen de zitting van 25 april 2007. De conclusie van de memorie van grieven luidt: ''te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden op 17 januari 2007 tussen partijen gewezen en opnieuw rechtsdoende - zonodig onder aanvulling en/ of verbetering der gronden - en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van appellant (voorheen eiser) toe te wijzen danwel een beslissing te nemen welke Uw Hof in deze juist acht met veroordeling van geïntimeerden zo mogelijk hoofdelijk in de kosten van beide instanties.'' Tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is verstek verleend. [geïntimeerde 2] heeft het verstek gezuiverd. Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde 2] verweer gevoerd met als conclusie: ''bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden d.d. 17 januari 2007, eventueel onder verbetering van gronden, te bekrachtigen zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure in beide instanties.'' Voorts heeft [appellant] een akte genomen, waarna [geïntimeerde 2] een antwoord-akte heeft genomen. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellant] heeft vier grieven opgeworpen. De beoordeling 1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 1.1. [appellant] en [geïntimeerde 1] zijn broers. Zij waren de enige vennoten van de v.o.f. [naam v.o.f.]. De v.o.f. exploiteerde een kleinhandel in dieren, dierenvoedsel en - benodigdheden, alsmede in hengelsport en aquariumartikelen. 1.2. De onderneming had oorspronkelijk drie vestigingen, namelijk twee in Leeuwarden en een in Heerenveen. [geïntimeerde 1] dreef een van de vestigingen in Leeuwarden; [appellant] de andere twee vestigingen. 1.3. Per 15 december 2000 is [geïntimeerde 1] uit de v.o.f. getreden en is de v.o.f. ontbonden. 1.4. [appellant] heeft de onderneming voortgezet in de vorm van een eenmanszaak. 1.5. [geïntimeerde 1] was voorheen in gemeenschap van goederen gehuwd met [geïntimeerde 2]. Het huwelijk is ontbonden per 23 april 2003 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 9 april 2003 in de registers van de burgerlijke stand. 1.6. De voorheen bestaande gemeenschap van goederen is nog niet geheel verdeeld. In ieder geval is nog onverdeeld gebleven de voormalige echtelijke woning van partijen. 1.7. [appellant] heeft beslag gelegd op de voormalige echtelijke woning. 2. In de onderhavige zaak vordert [appellant] een hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van een bedrag van € 76.033,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] grondt zijn vordering op de stelling dat [geïntimeerde 1] bij het uittreden uit de v.o.f. een schuld aan de v.o.f. zou hebben, die hij thans (mede) op [geïntimeerde 2] wenst te verhalen. De rechtbank heeft de vordering jegens beide partijen afgewezen. Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt [appellant] in hoger beroep op met vier grieven. 3. Het hof overweegt het volgende. De vordering van [appellant] betreft kennelijk een privé-vordering die hij stelt te hebben op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]; hij stelt de vordering immers in op eigen naam. De oorsprong van de vordering zou echter zijn gelegen in een schuld die [geïntimeerde 1] aan de v.o.f. zou hebben gehad; de v.o.f. bestaat niet meer sedert 15 december 2000. Niet duidelijk is echter geworden hoe de schuld van de v.o.f. is overgegaan op [appellant]. Er is geen enkel gegeven betreffende de scheiding en deling van het vennootschapsvermogen in het geding gebracht door [appellant]. [appellant] stelt weliswaar dat hij de schulden van de v.o.f. in privé heeft voldaan dan wel dat hij deze heeft overgenomen van de v.o.f., zodat hij terzake een vorderingsrecht heeft verkregen jegens [geïntimeerde 1], maar onderbouwt zulks niet. Ook blijft open de mogelijkheid dat de gestelde schuld van [geïntimeerde 1] door middel van verrekening (met de waarde van de activa) is voldaan aan de v.o.f., zoals [geïntimeerde 2] heeft geopperd. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vordering door [geïntimeerde 2] is het hof van oordeel dat [appellant] in dit opzicht zijn vordering volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat die vordering alleen al hierom moet worden afgewezen. Aan het bewijsaanbod van [appellant] komt het hof in dit verband niet toe. 4. Daarbij komt het volgende. De huwelijksgemeenschap tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is ontbonden per 23 april 2003. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad behoort het aandeel van een firmant van een v.o.f. tot het privé-vermogen van de firmant en valt dit niet in de huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat ook de schulden die de firmant/echtgenoot in het kader van de uitoefening van de v.o.f. heeft gemaakt, als privé-schulden moeten worden aangemerkt en derhalve niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Voor wat betreft de schuld van [geïntimeerde 1] waarop [appellant] zich in het onderhavige geval beroept, geldt het volgende. Volgens [appellant] zou het gaan om een schuld die zijn oorsprong vindt in onbetaald gebleven crediteuren van de v.o.f., te weten van de vestiging die gedreven werd door [geïntimeerde 1], alsmede in gelden die [geïntimeerde 1] zou hebben opgenomen in rekening-courant van de v.o.f. In ieder geval voor het gedeelte van de gestelde schuld dat zijn oorsprong vindt in onbetaald gebleven crediteuren van de v.o.f., heeft naar 's hofs oordeel te gelden dat sprake is van een privé-schuld van [geïntimeerde 1] aan de v.o.f. Dat betekent dat er ook hierom geen grond is waarop [geïntimeerde 2] in privé jegens [appellant] aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schuld van [geïntimeerde 1] aan [appellant]. 5. Voor zover het gaat om het gedeelte van de gestelde schuld dat zijn oorsprong vindt in door [geïntimeerde 1] opgenomen gelden in rekening-courant zou mogelijk sprake kunnen zijn van een gemeenschapsschuld. Niet is echter vast te stellen welk bedrag hiermee is gemoeid, nu [appellant] geen enkel inzicht heeft gegeven in de opbouw van (het ontstaan van) de gestelde schuld en derhalve ook niet heeft duidelijk gemaakt welk gedeelte is gemoeid met onbetaald gebleven crediteuren van de v.o.f. c.q. met in rekening-courant van de v.o.f. opgenomen gelden. Naar 's hofs oordeel is er thans geen plaats meer om [appellant] op dit punt om een nadere onderbouwing en uitsplitsing van de gestelde schuld te vragen. Het hof overweegt daartoe dat [geïntimeerde 2] van meet af aan ontkend heeft dat sprake is van een schuld aan de v.o.f. en zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] volstrekt ongenoegzaam zijn vordering heeft onderbouwd, terwijl ook de rechtbank de vordering heeft afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Gelet op dit verloop van de procedure was dus volstrekt duidelijk voor [appellant] dat hij zijn vordering beter diende te onderbouwen. Overigens heeft [appellant] geen op dit punt toegespitst bewijsaanbod gedaan. Ook om deze reden komt - dit deel van - de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. 6. In het licht van het vooroverwogene kan een verdere bespreking van de grieven achterwege blijven, nu die hoe dan ook niet tot toewijzing van het gevorderde kunnen leiden. Voor honorering van een bewijsaanbod is geen aanleiding. De slotsom 7. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief IV, 1,5 punt). De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde 2] tot aan deze uitspraak op € 1.136,-- aan verschotten en € 2.446,50 aan geliquideerd salaris voor de advocaat. bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffie dient te worden voldaan € 908,-- aan verschotten en € 2.446,50 voor geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de kostenveroordeling. Aldus gewezen door mrs. De Bock, voorzitter, Verschuur en Onnes-Wind, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 16 september 2008 in bijzijn van de griffier.