
Jurisprudentie
BF0898
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsMiddelburg
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/5615
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsMiddelburg
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/5615
Statusgepubliceerd
Indicatie
Generaal pardon / WBV 2007/11 / aanvraag, besluit
Naar het oordeel van de rechtbank is in de brief van 30 oktober 2007, mede gelet op de inhoud van de latere brief van eiser van 4 december 2007, naar inhoud en strekking voldoende concreet geduid voor welke verblijfsvergunning eiser in aanmerking wenst te komen, te weten een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Speciale Regeling 2007, zoals neergelegd in WBV 2007/11. Anders dan verweerder heeft aangevoerd, kan uit deze brieven niet worden opgemaakt dat het (uitsluitend) zou gaan om een verzoek tot toezending van de minuut met een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens. Het verzoek van eiser dient dan ook (mede) te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, en wel een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier, onder een andere beperking als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat in paragraaf 5.4 van WBV 2007/11 uitdrukkelijk de mogelijkheid is geschapen om een aanvraag in te dienen tot het verlenen van een vergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van deze regularisatieregeling. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de rechtspraak over de ‘14/1-brieven’ van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (meer in het bijzonder de uitspraak van 19 november 2004, LJN: AR6256, JV 2005/26). Het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat er hoogstens sprake is van een onvolledige aanvraag, doet er niet aan af dat het een aanvraag betreft. Voor zover verweerder meent dat de aanvraag niet volledig was, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser ex artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen de door verweerder geconstateerde verzuimen te herstellen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in de brief van 30 oktober 2007, mede gelet op de inhoud van de latere brief van eiser van 4 december 2007, naar inhoud en strekking voldoende concreet geduid voor welke verblijfsvergunning eiser in aanmerking wenst te komen, te weten een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Speciale Regeling 2007, zoals neergelegd in WBV 2007/11. Anders dan verweerder heeft aangevoerd, kan uit deze brieven niet worden opgemaakt dat het (uitsluitend) zou gaan om een verzoek tot toezending van de minuut met een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens. Het verzoek van eiser dient dan ook (mede) te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, en wel een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier, onder een andere beperking als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat in paragraaf 5.4 van WBV 2007/11 uitdrukkelijk de mogelijkheid is geschapen om een aanvraag in te dienen tot het verlenen van een vergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van deze regularisatieregeling. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de rechtspraak over de ‘14/1-brieven’ van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (meer in het bijzonder de uitspraak van 19 november 2004, LJN: AR6256, JV 2005/26). Het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat er hoogstens sprake is van een onvolledige aanvraag, doet er niet aan af dat het een aanvraag betreft. Voor zover verweerder meent dat de aanvraag niet volledig was, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser ex artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen de door verweerder geconstateerde verzuimen te herstellen.
Uitspraak
RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Middelburg
AWB nummer: 08/5615
V 200.743.3160
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht
inzake
[eiser],
eiser,
gemachtigde mr. P.R. Klaver,
advocaat te Bergen op Zoom,
tegen
de Staatssecretaris van Justitie,
verweerder,
gemachtigde mr. S.H.M. Maas,
medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
I. Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het op bezwaar genomen besluit (het bestreden besluit) van 13 februari 2008.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig E. Sloutskaya, tolk in de Russische taal.
II. Overwegingen
1. Onder verweerder wordt tevens verstaan de Minister van Justitie en/of de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
2. Eiser, geboren op [1982] en van Russische nationaliteit, heeft op 27 september 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend, welke aanvraag per 1 april 2001 is aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 27 februari 2002 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Bij uitspraak van 5 januari 2004 (AWB 02/25656) heeft deze rechtbank het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Bij brief van 30 oktober 2007 heeft eiser verweerder verzocht in aanmerking te komen voor de zogenoemde Generaal Pardonregeling. Bij brief van 9 november 2007 heeft verweerder eiser meegedeeld dat ambtshalve zal worden beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de op 15 juni 2007 in werking getreden Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (hierna te noemen: Speciale Regeling 2007). Verweerder heeft tevens in deze brief vermeld dat het doen van een aanvraag om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de te treffen regeling dan ook zinledig is.
Bij brief van 4 december 2007 heeft gemachtigde van eiser verzocht om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te geven over zijn aanspraken op een generaal pardon. Verweerder heeft op 11 januari 2008 de minuut, inhoudende een beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een aanbod in het kader van de Speciale Regeling 2007, aan eiser toegezonden.
Bij brief van 23 januari 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 januari 2008 waarbij is meegedeeld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de Speciale Regeling 2007. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit van 13 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard.
4. Verweerder stelt dat ingevolge de Speciale Regeling 2007, zoals deze is neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11, verweerder aan de hand van de bekende gegevens, dan wel op basis van een verklaring van de burgemeester van de woonplaats van de desbetreffende vreemdeling, ambtshalve beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van deze regeling.
Verweerder stelt dat deze ambtshalve beoordeling geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat er geen sprake is van een aanvraag, noch van een op enig rechtsgevolg gericht besluit.
5. Eiser stelt dat de beslissing verandering brengt in de rechtspositie van de vreemdeling. Bij het verlenen van een verblijfsvergunning bestaat het rechtsgevolg uit de toelating van de vreemdeling tot Nederland. Bij weigering bestaat het rechtsgevolg uit het niet toelaten van de vreemdeling en dus uitsluiten van de vreemdeling uit de groep die valt onder de Regeling. De vreemdeling wordt uitzetbaar en kan geen aanspraak meer maken op diverse voorzieningen.
Omdat deze beslissing de relatie tussen een bestuursorgaan en een burger betreft, is het volgens eiser bovendien een publiekrechtelijke rechtshandeling. Volgens eiser is er sprake van een zelfde situatie als in het geval dat ambtshalve werd geweigerd een vreemdeling op grond van het driejarenbeleid niet toe te laten. Het feit dat het in deze situaties gaat om een ambtshalve verlening, maakt niet dat bij weigering daarvan geen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden.
Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat bezwaar openstaat op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en meer subsidiair dat het bestreden besluit een schriftelijke weigering is een besluit te nemen zoals bedoeld in artikel 6:2 van de Awb.
De rechtbank overweegt als volgt.
6. Beoordeeld moet worden of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dat kader ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of de brief van eiser van 30 oktober 2007 is aan te merken als een aanvraag en of de brief van verweerder van 11 januari 2008, waarbij de interne minuut inhoudende de toetsing aan WBV 2007/11 is toegezonden aan eiser, is aan te merken als een besluit.
7. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
Het derde lid bepaalt dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
8. In de brief van 30 oktober 2007 verzoekt eiser expliciet hem in aanmerking te laten komen voor de zogenoemde Generaal Pardonregeling. In de brief van 4 december 2007 vraagt eiser hem zo spoedig mogelijk daarover duidelijkheid te geven.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is in de brief van 30 oktober 2007, mede gelet op de inhoud van de latere brief van eiser van 4 december 2007, naar inhoud en strekking voldoende concreet geduid voor welke verblijfsvergunning eiser in aanmerking wenst te komen, te weten een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Speciale Regeling 2007, zoals neergelegd in WBV 2007/11. Anders dan verweerder heeft aangevoerd, kan uit deze brieven niet worden opgemaakt dat het (uitsluitend) zou gaan om een verzoek tot toezending van de minuut met een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens.
10. Het verzoek van eiser dient dan ook (mede) te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, en wel een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier, onder een andere beperking als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat in paragraaf 5.4 van WBV 2007/11 uitdrukkelijk de mogelijkheid is geschapen om een aanvraag in te dienen tot het verlenen van een vergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van deze regularisatieregeling.
11. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de rechtspraak over de ‘14/1-brieven’ van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (meer in het bijzonder de uitspraak van 19 november 2004, LJN: AR6256, JV 2005/26).
12. Het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat er hoogstens sprake is van een onvolledige aanvraag, doet er niet aan af dat het een aanvraag betreft. Voor zover verweerder meent dat de aanvraag niet volledig was, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser ex artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen de door verweerder geconstateerde verzuimen te herstellen.
13. De brief van verweerder van 11 januari 2008, met de daarbij gevoegde minuut welke strekt tot het niet-doen van een aanbod op grond van de Speciale Regeling 2007, moet worden aangemerkt als een reactie op de brieven van eiser van 30 oktober 2007 en 4 december 2007. Deze brief is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De minuut strekt immers tot afwijzing van de door eiser gevraagde verblijfsvergunning op grond van de Speciale Regeling 2007 en door de brief van 11 januari 2008 is deze afwijzing aan eiser bekendgemaakt in de zin van artikel 3:40 en volgende van de Awb. De rechtbank volgt het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat het slechts gaat om een intern stuk, dan ook niet.
14. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser ten onrechte als niet-ontvankelijk heeft aangemerkt. Nu verweerder eisers bezwaar
op onjuiste gronden niet-ontvankelijk heeft geacht, heeft bovendien ten onrechte geen heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden van eiser.
15. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- .
III. Uitspraak
De rechtbank 's-Gravenhage,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;
gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 145,-- vergoedt.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2008 door mr. B.F.Th. de Roos, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J. Slabbekoorn, griffier.
Afschrift verzonden op: 10 september 2008