
Jurisprudentie
BF0877
Datum uitspraak2008-09-04
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/23176
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-25
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/23176
Statusgepubliceerd
Indicatie
Artikel 7 Besluit 1/80, dubbele nationaliteit verblijfgever.
Te laat ingediende verlengingsaanvraag wordt behandeld als eerste aanvraag. Eiseres heeft geen mvv. De vader van eiseres heeft zijn hoedanigheid van Turkse werknemer in de zin van (artikel 7 van) het Besluit 1/80 niet verloren door zijn naturalisatie tot Nederlander. Aan overige voorwaarden van artikel 7 van het Besluit 1/80 is voldaan, zodat verweerder ten onrechte het mvv-vereiste heeft tegengeworpen.
Volgens de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006, 92) en 18 juli 2007 (Derin; JV 2007, 438) kunnen de aan artikel 7 van het Besluit 1/80 ontleende rechten slechts in twee gevallen worden beperkt, te weten:
- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;
- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.
Gesteld noch gebleken is dat de hiervoor genoemde gevallen zich hier voordoen.
De tekst van het Besluit 1/80 biedt geen aanleiding voor de conclusie dat ook in andere dan de hiervoor genoemde gevallen de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten zouden mogen worden beperkt. Met name blijkt daaruit niet dat de omstandigheid dat een Turkse werknemer tevens de nationaliteit van de lidstaat van verblijf heeft, een beperking zou kunnen rechtvaardigen. Daarnaast ziet de rechtbank niet in waarom in het geval van dubbele nationaliteit aan het bezit van de nationaliteit van de lidstaat van verblijf meer gewicht zou moeten worden toegekend dan aan het bezit van de Turkse nationaliteit. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie, zoals de uitspraken van 2 oktober 2003 (Garcia Avello; C-148/02) en 21 februari 2006 (Ritter-Coulais; C-152/03), kan immers worden afgeleid dat het idee van een dominante nationaliteit in het geval van dubbele nationaliteit in het gemeenschapsrecht geen rol speelt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vader van eiseres door zijn naturalisatie tot Nederlander de hoedanigheid van tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer heeft verloren. Nu niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden van artikel 7 van het Besluit 1/80 is voldaan, heeft verweerder eiseres gelet op artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 ten onrechte het mvv-vereiste tegengeworpen.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Vreemdelingenkamer, meervoudige kamer
Reg.nr. : AWB 07/23176 BEPTDN
UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
Inzake : [eiseres], V-nummer 151.006.1422, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. M.J. Mons, advocaat te 's-Gravenhage,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde [ambtenaar] ten departemente.
I PROCESVERLOOP
1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1982 en van Turkse nationaliteit, verblijft naar eigen zeggen sinds 2 februari 1999 als vreemdeling in Nederland.
Bij schrijven van 10 november 2003 heeft zij een aanvraag ingediend tot verlenging van haar verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Op deze aanvraag is door verweerder op 21 juni 2006 afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 24 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij schrijven van 4 juni 2007 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
3. Op 20 maart 2008 heeft de rechtbank de openbare behandeling van het beroep op 26 maart 2008 verdaagd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer, omdat de rechtbank de zaak ongeschikt achtte voor behandeling door één rechter.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 juli 2008. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Vermeij, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
IIOVERWEGINGEN
1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat betekenis moet worden toegekend aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (hierna: Besluit 1/80), ook al heeft haar vader tevens de Nederlandse nationaliteit. Onder overlegging van een beschikking van verweerder ten aanzien van een landgenoot heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Ten onrechte is geen gewicht toegekend aan het belang van eiseres bij voortzetting van het gezinsleven met haar vader. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard en zodoende ten onrechte is afgezien van een hoorzitting.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt omdat zij niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) beschikt. Eiseres kan geen rechten ontlenen aan artikel 7 van het Besluit 1/80 omdat haar vader tot Nederlander was genaturaliseerd op het moment van toelating van eiseres tot Nederland en daarom geen Turkse werknemer is als bedoeld in artikel 7 van het Besluit 1/80.
4. Ingevolge artikel 3.80, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) is een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning tijdig ingediend indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt een niet-tijdig ingediende verlengingsaanvraag gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.
Ingevolge artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, is artikel 3.71 niet van toepassing indien de niet-tijdige aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd.
In hoofdstuk B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt de redelijke termijn bepaald op zes maanden.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, gelezen in onderlinge samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.
De vreemdeling kan ingevolge artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 worden vrijgesteld van dit zogeheten mvv-vereiste indien hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Besluit 1/80.
Artikel 7, eerste gedachtestreepje, van het Besluit 1/80 luidt, voorzover hier van belang:
Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen hebben het recht om te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste 3 jaar aldaar legaal wonen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de geldigheidsduur van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning op 26 december 2002 afliep. Voorts is niet in geschil dat de onderhavige aanvraag eerst op 10 november 2003 is ingediend. Daarmee staat vast dat de aanvraag te laat en ook niet binnen een redelijke termijn is ingediend en dient te worden bezien of de termijnoverschrijding aan eiseres kan worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de te late indiening van de aanvraag eiseres is toe te rekenen. Onvoldoende is onderbouwd dat eiseres wegens familieomstandigheden of haar studie niet in staat is geweest de aanvraag tijdig in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 3.80 van het Vb 2000 heeft verweerder de aanvraag van eiseres derhalve op goede gronden aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating. Het mvv-vereiste is in deze gevallen in beginsel onverkort van toepassing.
Niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv.
6. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verweerder eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 terecht niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste.
De vader van eiseres heeft zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat, met uitzondering van de voorwaarde dat de vader van eiseres de hoedanigheid van Turkse werknemer heeft, aan alle voorwaarden van artikel 7 van het Besluit 1/80 is voldaan.
De vraag die de rechtbank derhalve dient te beantwoorden is of de vader van eiseres zijn hoedanigheid van Turkse werknemer in de zin van het Besluit 1/80 heeft verloren door zijn naturalisatie tot Nederlander.
7. Om aan artikel 7 van het Besluit 1/80 rechten te kunnen ontlenen, dient degene bij wie verblijf wordt beoogd te voldoen aan de kwalificatie van Turkse werknemer. Volgens de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van 11 november 2004 (Cetinkaya; C-467/02), 16 februari 2006 (Torun; JV 2006, 92) en 18 juli 2007 (Derin; JV 2007, 438) kunnen deze rechten slechts in twee gevallen worden beperkt, te weten:
- wanneer de aanwezigheid van de Turkse migrerende werknemer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst wegens zijn persoonlijke gedrag een reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in de zin van artikel 14, eerste lid, van het Besluit 1/80;
- wanneer de betrokkene het grondgebied van die Staat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten.
Gesteld noch gebleken is dat de hiervoor genoemde gevallen zich hier voordoen.
De tekst van het Besluit 1/80 biedt geen aanleiding voor de conclusie dat ook in andere dan de hiervoor genoemde gevallen de door artikel 7 van het Besluit 1/80 verleende rechten zouden mogen worden beperkt. Met name blijkt daaruit niet dat de omstandigheid dat een Turkse werknemer tevens de nationaliteit van de lidstaat van verblijf heeft, een beperking zou kunnen rechtvaardigen. Daarnaast ziet de rechtbank niet in waarom in het geval van dubbele nationaliteit aan het bezit van de nationaliteit van de lidstaat van verblijf meer gewicht zou moeten worden toegekend dan aan het bezit van de Turkse nationaliteit. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie, zoals de uitspraken van 2 oktober 2003 (Garcia Avello; C-148/02) en 21 februari 2006 (Ritter-Coulais; C-152/03), kan immers worden afgeleid dat het idee van een dominante nationaliteit in het geval van dubbele nationaliteit in het gemeenschapsrecht geen rol speelt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vader van eiseres door zijn naturalisatie tot Nederlander de hoedanigheid van tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer heeft verloren. Nu niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden van artikel 7 van het Besluit 1/80 is voldaan, heeft verweerder eiseres gelet op artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vb 2000 ten onrechte het mvv-vereiste tegengeworpen.
8. Het beroep is gegrond. Gelet op het vorenstaande dient het bestreden besluit wegens strijd met de wet (artikel 3.71, tweede lid, onder e, van het Vb 2000) te worden vernietigd. Verweerder wordt opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
9. Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten ter waarde van
€ 322,- worden toegekend. Aangezien ten behoeve van eiseres ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
III BESLISSING
De rechtbank ’s-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit van 24 mei 2007 (kenmerk: IND 9505-18-2061);
3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt met inachtneming van deze uitspraak;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;
5. gelast dat voornoemde rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht ad € 143,- vergoedt.
Aldus gedaan door mrs. F. Brekelmans, A.L. Frenkel en G.F. van der Linden-Burgers en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2008, in tegenwoordigheid van mr. M.L.E.H. van Dongen, griffier.
IV RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)