Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0874

Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.012.465-01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Kinderalimentatie. Artikel 1:401 BW. Wijziging van omstandigheden(?): uitleg van hetgeen de moeder heeft beoogd met haar inleidende verzoek.


Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 27 augustus 2008 Zaaknummer : 105.012.465/01 Rekestnummer : 35-H-08 Rekestnr. rechtbank : 01-1381 1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, procureur mr. I.K.W. Ligtvoet-Straver, en 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de jongmeerderjarige, procureur mr. I.K.W. Ligtvoet-Straver, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, procureur mr. I. Aardoom-Fuchs. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder en de jongmeerderjarige zijn op 8 januari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 oktober 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage. De vader heeft op 25 maart 2008 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de moeder en de jongmeerderjarige zijn bij het hof op 1 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 25 juni 2008 aanvullende stukken ingekomen. Op 4 juli 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur, en de vader, bijgestaan door zijn procureur. De jongmeerderjarige is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouw van verzoekers in hoger beroep onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De jongmeerderjarige en de hierna te noemen minderjarige hebben schriftelijk hun mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, met wijziging van de beschikking van 28 mei 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage, de door de vader met ingang van 9 oktober 2007 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de toenmalige minderjarigen bepaald op € 93,50 per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil zijn de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, respectievelijk levensonderhoud en studie (hierna ook: alimentatie) van de thans jongmeerderjarige [appellant 2], geboren [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats], en de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarige, geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], hierna ook gezamenlijk verder: de kinderen, die bij de moeder verblijven. 2. De moeder, die daarbij en in het navolgende mede het woord doet uit naam van de jongmeerderjarige voor zover het hem als zodanig aangaat, verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat: - de vader ten behoeve van de kinderen met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank, te weten 9 oktober 2007, althans een datum als het hof vermeent te behoren, een bijdrage van € 380,-- per maand, per kind dient te voldoen, althans een bijdrage als het hof vermeent te behoren, en - dat de vader, uit hoofde van zijn verplichtingen voortkomende uit het tussen de moeder en hem gesloten convenant, een bedrag van € 501,80 aan de moeder dient te voldoen, zijnde de helft van het schoolgeld over het jaar 2006/2007. 3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de beide verzoeken in appel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden en de vader en de moeder gezamenlijk aanduiden als ‘partijen’. Wijzigingsgrond 4. De moeder stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte nieuwe bijdragen heeft vastgesteld op grond van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). De moeder voert hiertoe aan dat haar verzoek in eerste aanleg niet gericht was op een wijziging van de (kinder)alimentatie, doch slechts op het vastleggen in een beschikking van de afspraken die partijen reeds bij echtscheidingsconvenant van 20 februari 2003 en bij mondelinge afspraak in de praktijk waren overeengekomen. In haar eerste vier grieven stelt de moeder dan ook dat de rechtbank ten onrechte de behoefte (kosten) van de kinderen opnieuw heeft vastgesteld en een verdeling van de kosten van de kinderen tussen de ouders heeft bepaald. Hierover bestond immers tussen partijen geen discussie, aldus de moeder. 5. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht één nieuw vast bedrag heeft vastgesteld aan (kinder)alimentatie ter vervanging van de afspraken uit het convenant en de mondeling gemaakte afspraken. De vader voert hiertoe aan dat het de moeder zelf is geweest die in eerste aanleg gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd en de rechtbank heeft verzocht om een vast, door de vader te betalen, bedrag te bepalen ter zake van de kosten van de kinderen ter vervanging van het convenant. De moeder kan geen dubbele verzoeken omtrent de kosten van de kinderen indienen, aldus de vader. 6. Het hof overweegt als volgt. Bij echtscheidingsconvenant van 20 februari 2003 zijn partijen wat betreft de kosten van de kinderen overeengekomen dat de vader aan de moeder zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding een bedrag van € 200,-- per kind per maand, alsmede dat partijen de eenmalige kosten voor de kinderen, zoals schoolgeld, boeken en kleding ieder voor de helft zullen betalen en dat de vader de kosten van maximaal twee vrijetijdsbestedingen per kind zal betalen. De moeder heeft in haar inleidend verzoekschrift blijkens het petitum, en voor zover hier van belang, verzocht om: - de vader te veroordelen tot naleving van het convenant met betrekking tot het schoolgeld van de kinderen; - het echtscheidingsconvenant ongeldig te verklaren voor zover het betreft de afspraken over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen en - vast te stellen dat de vader maandelijks bij vooruitbetaling aan het begin van de maand aan de moeder een bedrag van € 380,-- netto per kind (het hof leest:) dient te voldoen. Dit petitum kan door de woorden ‘ongeldig verklaren’ en ‘vaststellen’ niet anders worden gelezen dan dat de moeder verzoekt om het vaststellen van een bedrag (namelijk € 380,-- per kind per maand) aan (kinder)alimentatie ter vervanging van de afspraken uit het convenant. Het is naar het oordeel van het hof dan ook geenszins onbegrijpelijk dat de rechtbank het verzoek van de moeder heeft gelezen als een verzoek tot wijziging van de eerder overeengekomen afspraken en het verzoek vervolgens als zodanig heeft behandeld. Overigens gebruikt de moeder in haar verzoekschrift ook zelf het woord ‘wijziging’ een aantal malen en noemt zij daarvan een voorbeeld (beëindiging co-ouderschap). Had de moeder alleen willen bewerkstelligen dat de overeengekomen afspraken zouden worden vastgelegd en nagekomen dan had zij haar verzoekschrift anders moeten inkleden en/of een andere procedure (een procedure tot nakoming) aanhangig moeten maken. Met de huidige formulering van haar verzoekschrift heeft de moeder echter een ander juridisch kader aangegeven dan nakoming, namelijk het vaststellen van een bedrag in de plaats van het convenant, derhalve een wijziging als bedoeld in artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek. Het is dan ook binnen het door deze bepaling beperkte kader dat de rechtbank en thans ook het hof in hoger beroep dienen te oordelen. Niet de vader met zijn verweerschrift, noch de rechtbank, maar de moeder heeft de rechtsstrijd aldus bepaald. Ook in haar beroepschrift verzoekt de moeder om het vaststellen van een nieuw bedrag (€ 380,-- per kind per maand) ten opzichte van het bedrag in het echtscheidingconvenant (€ 200,-- per kind per maand plus overige kosten). Dat deze bedragen volgens de moeder bij elkaar opgeteld hetzelfde zijn, doet daar niets aan af, nu dit slechts gebaseerd is op haar eigen berekeningen en de vader daarmee niet instemt. 7. Nu vaststaat dat de afspraken uit het convenant tussen partijen niet langer volstaan als middel ter voorziening in de onderhoudskosten van hun kinderen is het verzoek tot wijziging van die afspraken ontvankelijk en zal het hof de behoefte van de kinderen, de verdeling van de kosten van de kinderen tussen partijen en de draagkracht van de vader beoordelen. Behoefte van de kinderen 8. In eerste aanleg heeft de moeder gesteld dat de behoefte van de kinderen € 380,-- per kind per maand bedraagt, hetgeen zij baseert op een door haar geschat netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van € 3.000,-- per maand. In hoger beroep stelt de moeder in haar tweede grief echter dat de rechtbank ten onrechte het bedrag van € 380,-- per kind per maand als door de moeder gestelde en door de vader niet betwiste behoefte tot uitgangspunt heeft genomen. De moeder voert aan dat de door haar verzochte bijdrage van € 380,-- per kind per maand overeenkomt met het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen. De moeder stelt dat de behoefte van de kinderen hoger ligt dan € 380,-- per kind per maand en dat dit impliciet volgt uit de afspraken tussen partijen ter zake van de kosten van de kinderen in het convenant. 9. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht één bedrag aan (kinder)alimentatie heeft vastgesteld en verenigt zich met de door rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen van € 380,-- per kind per maand. 10. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat de vaststelling van een bijdrage in de onderhoudskosten van kinderen strekt ter voorziening in alle kosten van levensonderhoud in de ruimste zin van het woord, zodat - anders dan bij afspraken tussen partijen onderling - door de rechter dienaangaande één bedrag dient te worden vastgesteld. Verder overweegt het hof het volgende. De moeder stelt dat de behoefte van de kinderen hoger ligt dan € 380,-- per kind per maand, omdat partijen dat in de echtscheidingsprocedure in overleg hebben bepaald. De moeder heeft echter nagelaten in hoger beroep deze hogere behoefte te stellen door gemotiveerd een concreet bedrag te noemen. Nu de moeder haar stelling in hoger beroep niet nader heeft onderbouwd en partijen geen financiële stukken aangaande hun inkomen ten tijde van de echtscheiding hebben overgelegd en voorts evenmin uit de andere overgelegde stukken aanwijzingen volgen omtrent de financiële positie van partijen ten tijde van de echtscheiding en/of de wijze waarop de behoefte van de kinderen is berekend, acht het hof een hogere behoefte dan het bedrag van € 380,-- per kind per maand, zoals door de moeder in eerste aanleg wel concreet gesteld en onderbouwd, niet aannemelijk gemaakt en zal het hof uitgaan van een behoefte van € 380,-- per kind per maand. Verdeling van de kosten van de kinderen tussen de ouders 11. In haar derde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder dient bij te dragen in de kosten van de kinderen en dat de rechtbank vervolgens ten onrechte het aandeel van beide partijen in die kosten heeft bepaald. De moeder voert hiertoe aan dat het door haar verzochte bedrag van € 380,-- per kind per maand reeds ziet op het aandeel van de vader, zodat dit bedrag niet nog eens tussen partijen verdeeld dient te worden. De moeder stelt dat de behoefte van de kinderen hoger ligt dan het bedrag van € 380,-- per kind per maand en zij al de andere helft van de kosten voor de kinderen voldoet. Daarnaast stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte het aandeel van ieder van partijen in de kosten van de kinderen heeft bepaald op basis van de huidige netto inkomens van partijen. 12. De vader stelt zich op het standpunt dat het aandeel van beide partijen in de kosten van de kinderen dient te worden bepaald en dat de moeder daartoe inzage dient te verlenen in haar financiële positie. De vader stelt dat het aandeel van de moeder hoger is dan zij doet voorkomen, aangezien haar inkomen hoger is dan zij stelt. De vader wenst, naast de gegevens ter zake van haar inkomsten uit hoofde van haar dienstverband in het onderwijs, inzage in de gegevens ter zake van de inkomsten uit hoofde van haar zelfstandig beroep als schoonheidsspecialiste. Voorts voert de vader aan dat de moeder tevens (financiële) gegevens van haar nieuwe partner dient over te leggen. Daarnaast voert de vader aan dat de moeder de door haar opgevoerde lasten niet met stukken heeft onderbouwd. 13. Het hof stelt voorop dat beide ouders onderhoudsplichtig zijn ten opzichte van hun kinderen en dat, indien beide ouders inkomsten hebben boven bijstandsniveau, de kosten van de kinderen voor zover zij niet worden gedekt door de kinderbijslag (het zogenaamde “eigen aandeel ouders”) tussen de ouders dienen te worden verdeeld. In het algemeen geschiedt een dergelijke verdeling naar rato van de draagkracht van beide ouders, doch indien partijen onvoldoende financiële gegevens overleggen om de draagkracht te bepalen, staat het de rechter vrij om op andere wijze, bijvoorbeeld naar rato van het netto inkomen, het aandeel van ieder van hen in de kosten van de kinderen te bepalen. Nu de moeder in eerste aanleg onvoldoende gegevens had overgelegd om haar draagkracht te bepalen, stond het de rechtbank derhalve vrij om het aandeel van beide ouders op basis van ieders inkomen te bepalen, zodat de grief van de moeder in zoverre ongegrond is. Gelet op het feit dat het hof de behoefte van de kinderen heeft vastgesteld op € 380,-- per kind per maand, dient dit bedrag tussen de beide ouders te worden verdeeld. Nu de moeder in hoger beroep opnieuw onvoldoende (en niet recente) gegevens heeft overgelegd om haar draagkracht te bepalen, terwijl dat gelet op de gemotiveerde stellingen van de vader wel op haar weg had gelegen, zal het hof aansluiten bij het oordeel van de rechtbank dat het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen € 205,-- per kind per maand bedraagt. Geen van partijen heeft immers onderbouwd en concreet gesteld dat dit anders dient te zijn. Draagkracht van de vader 14. In haar grieven vijf, zes, acht en negen maakt de moeder bezwaar tegen de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van de vader. De moeder voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de jaarrekening 2005 bij het bepalen van het inkomen van de vader. De moeder meent dat uitgegaan dient te worden van de gemiddelde jaarwinst van de vader over de afgelopen drie jaren. Voorts dient de jaarwinst over 2005 te worden gecorrigeerd met een bedrag aan privéautokosten van de vader. Daarnaast stelt de moeder dat sprake is van extra inkomsten van de vader buiten de jaarstukken om, hetgeen tot uiting komt in de levensstandaard van partijen tijdens het huwelijk, die de vader volgens de moeder heeft voortgezet. Wat betreft de lasten van de vader stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met omgangskosten, nu er al jaren geen omgang plaats heeft tussen de vader en de kinderen, alsmede dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de door de vader opgevoerde woonlasten van € 422,-- per maand, aangezien de vader de woonlasten kan delen met zijn huidige partner en haar meerderjarige kinderen, zodat slechts rekening dient te worden gehouden met een woonlast van € 210,-- per maand. 15. De vader stelt zich op het standpunt dat zijn draagkracht de door de moeder verzochte bijdragen niet toelaat en dat de rechtbank op juiste wijze de bijdragen ten behoeve van de kinderen ten laste van hem heeft vastgesteld. Ter bepaling van zijn inkomen heeft de vader de jaarrekening 2006 van zijn onderneming overgelegd. Wat betreft zijn lasten heeft de vader bevestigd dat sinds oktober 2007 (na de uitspraak in eerste aanleg) geen omgang meer heeft plaatsgevonden tussen hem en de kinderen. Voorts betwist de vader dat zijn huidige partner in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en voert hij aan dat zij nimmer een voltijds dienstverband heeft gehad. Zijn partner werkte eerst twee dagen, waarvan een dag bij de vader in de marktkraam en een dag in de kantine van een tennisvereniging. Thans werkt zij vier dagen bij de vader in de marktkraam, doch ontvangt daarvoor geen salaris om kosten te besparen. De vader bestrijdt ook dat de meerderjarige kinderen van zijn partner in de woonlasten kunnen bijdragen. Verder betwist de vader dat sprake is van de door de moeder gestelde levensstandaard en merkt hij tot slot op dat hij altijd premies heeft betaald voor een spaarpolis voor de kinderen. 16. Het hof overweegt als volgt. Wat betreft het inkomen van de vader zal het hof uitgaan van een jaarinkomen van € 29.738,--, zijnde een gemiddelde van de bedrijfsresultaten over de afgelopen drie jaren, zoals uit de overgelegde financiële stukken blijkt, nu de vader zich niet tegen een middeling heeft verzet en het hof dit niet onredelijk voorkomt. Het hof heeft daarbij de autokosten die de vader privé maakt niet in mindering gebracht, nu de vader het bezwaar van de moeder tegen de aftrek van die kosten op het inkomen niet heeft bestreden. Het hof zal geen rekening houden met niet in de jaarstukken verantwoorde extra inkomsten van de vader, aangezien de vader betwist dat daarvan sprake is en de moeder haar stelling in dat verband niet heeft geconcretiseerd. Wat betreft de lasten zal het hof de bijstandsnorm voor een alleenstaande op de vader toepassen en rekening houden met tweederde van de woonlasten, zijnde een bedrag van € 422,-- per maand aan hypotheekrente, evenals de rechtbank op goede gronden heeft overwogen en beslist, nu de partner van de vader verdiencapaciteit heeft. Geen rekening zal worden gehouden met de eventuele mogelijkheid dat de meerderjarige kinderen van de nieuwe partner kunnen bijdragen in de woonlasten, nu de vader de stelling van de moeder hieromtrent gemotiveerd heeft bestreden. Het hof zal voorts geen rekening houden met omgangskosten, omdat deze kosten, zoals door de vader ook ter zitting is erkend, feitelijk niet worden gemaakt. 17. Rekeninghoudend met de overige financiële omstandigheden van de vader zoals door de rechtbank vastgesteld en waartegen door geen van partijen bezwaar is gemaakt, volgt uit het vorenstaande dat de draagkracht van de vader een (kinder)alimentatie toelaat van € 205,-- per kind per maand, zijnde het berekende aandeel van de vader in de kosten van de kinderen. Kosten schoolgeld uit hoofde van het convenant 18. In haar elfde grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan ter zake van haar verzoek om de vader te veroordelen tot naleving van het convenant door de helft van het schoolgeld over het cursusjaar 2006/2007 ad € 501,80 aan de moeder te betalen. Nu het verzoek van de moeder ziet op het schoolgeld voor de periode gelegen voor de datum van de nieuw vastgestelde (kinder)alimentatie, en derhalve op de periode dat het convenant nog geldig was, zal het hof het verzoek van de moeder, dat het hof gelet op de stellingen van partijen niet onredelijk voorkomt, toewijzen. Conclusie 19. Uit het bovenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 28 mei 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage – de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 9 oktober 2007 op € 205,-- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen; bepaalt dat de vader ter zake van zijn aandeel in het schoolgeld over het cursusjaar 2006-2007 aan de moeder dient te voldoen een bedrag van € 501,80 binnen twee weken na de datum van deze beschikking; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Bouritius en Breederveld, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2008.