Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0872

Datum uitspraak2008-08-25
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 07/4114 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij primair besluit is het verzoek om kwijtschelding afgewezen, omdat eiser vermogen zou hebben. In bezwaar stelt eiser dat hij gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. In de beslissing op bezwaar wordt het verzoek afgewezen omdat eiser niet gedurende vijf jaar zou hebben afgelost, zonder in te gaan op het standpunt van eiser. Daarmee heeft verweerder geen volledige heroverweging genomen op de bezwaren van eiser. Strijd met artikel 7:11 Awb.


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen enkelvoudige kamer UITSPRAAK in het geding met reg.nr. AWB 07/4114 WWB tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, vertegenwoordigd door mr. E. van den Bogaard, en: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam verweerder. 1. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 23 oktober 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 13 september 2007 (hierna: het bestreden besluit). Het onderzoek is gesloten ter zitting van 24 juli 2008. 2. OVERWEGINGEN Eiser heeft verweerder op 23 maart 2007 verzocht om kwijtschelding van openstaande vorderingen in het kader van de Wet Werk en Bijstand (hierna te noemen: WWB). Bij primair besluit van 24 april 2007 heeft verweerder het verzoek van eiser om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van zijn schulden afgewezen, omdat eiser over vermogen beschikt dan wel de beschikking heeft gehad, waaruit de openstaande vordering kan worden voldaan. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Aanvullend heeft verweerder opgemerkt dat de in het primaire besluit genoemde afwijzingsgrondslag door verweerder wordt verlaten. Het besluit van 24 april 2007 wordt gewijzigd in die zin, dat het verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen omdat eiser niet gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (artikel 6.3, tweede lid, onder b, van de Beleidsregels WWB). Eiser heeft in beroep gesteld dat in de beslissing op bezwaar van 16 september 2004, het besluit van 23 december 2003, waarmee met ingang van 1 januari 2004 een betalingsverplichting van € 553,47 per maand werd opgelegd is ingetrokken, omdat is komen vast te staan dat eiser geen aflossingscapaciteit heeft. Daarmee staat vast dat verweerders standpunt voor zover dat inhoudt dat eiser vanaf 1 januari 2004 niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, onjuist is. Voorts heeft eiser gesteld dat van meet af aan heeft vast gestaan dat hij geen aflossingscapaciteit heeft en dat verweerder nimmer heeft aangedrongen op betaling anders dan middels besluiten die na bezwaar en draagkrachtonderzoek weer zijn ingetrokken. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat artikel 58 van de WWB, voor zover hier van belang, meebrengt dat ten onrechte gemaakte kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd. Het gaat daarbij – naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever – om een discretionaire bevoegdheid. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering moet hierin besloten worden geacht. Ter invulling van deze bevoegdheid heeft verweerder de Beleidsregels WWB van de gemeente Amsterdam van 18 augustus 2006 (Gemeenteblad 2006, afd. 3B, nr. 59) (hierna: de Beleidsregels WWB) vastgesteld. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, van de Beleidsregels WWB stelt het college zich ten doel om de teruggevorderde en de op derden verhaalde bijstand optimaal in te vorderen, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet. Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, onder b, van de Beleidsregels WWB kan het college besluiten van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, onder d, van de Beleidsregels WWB kan het college besluiten van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af te zien indien de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient - voor zover hier van belang - de beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. De rechtbank overweegt dat verweerder aan het primaire besluit van 24 april 2007 de beschikking van eiser over vermogen waaruit de openstaande vordering kan worden voldaan, ten grondslag heeft gelegd. Bij het bestreden besluit wordt dit standpunt verlaten en het besluit van 24 april 2007 wordt gewijzigd in die zin, dat het verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen omdat eiser niet gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (artikel 6.3, tweede lid, onder b, van de Beleidsregels WWB). Blijkens de toelichting op het artikel is artikel 6.3, tweede lid, onder b, van de Beleidsregels WWB bedoeld voor de situatie wanneer de debiteur een minimale periode (drie of vijf jaar) heeft voldaan aan zijn betaalverplichting. Hierdoor ontstaat voor de debiteur een prikkel om de aflossingsverplichting een aantal jaren strikt na te komen, aldus de toelichting. In het onderhavige geval is bij besluit van 1 juli 1998 met ingang van 1 augustus 1998 een aflossingsverplichting opgelegd. De terugvordering was het gevolg van het verstrekken van onvolledige of onjuiste inlichtingen. Vast staat dat eiser vanaf 1 augustus 1998 niet de opgelegde bedragen heeft terugbetaald. Bij besluit van 23 december 2003 heeft verweerder vervolgens de betalingsverplichting per 1 januari 2004 vastgesteld op € 553,47 per maand. Het daartegen ingediende bezwaar is bij beslissing van 16 september 2004 gegrond verklaard en daarbij is het besluit van 23 december 2003 ingetrokken. In beroep heeft eiser aangevoerd dat de stelling dat eiser vanaf 1 januari 2004 niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan daarom in elk geval onjuist is. De rechtbank overweegt echter dat artikel 6.3, tweede lid, onder b, van de Beleidsregels WWB gelet op de toelichting ziet op situaties dat gedurende vijf jaar de openstaande schuld is betaald en dat is hier onweersproken (ook na 1 januari 2004) niet het geval. Verweerder kon dan ook in redelijkheid tot het oordeel komen dat niet was voldaan aan het gestelde in artikel 6.3, tweede lid, onder b, van zijn Beleidsregels WWB. De omstandigheid dat uit de beslissing op bezwaar van 16 januari 2004 kan worden opgemaakt dat vanaf 1 januari 2004 redenen waren om de vordering buiten invordering te stellen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er ten tijde van zijn kwijtscheldingsverzoek sprake was van een situatie dat eiser gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting had voldaan als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onder b, van de Beleidsregels WWB. Verweerder heeft dan ook kunnen besluiten dat op deze grond het kwijtscheldingsverzoek van eiser niet voor inwilliging vatbaar was. Dat betekent echter niet dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Het kwijtscheldingsverzoek is in maart 2007 gedaan omdat eiser onvoldoende draagkracht zou hebben om zijn schuld af te betalen. In het primaire besluit werd eisers aanvraag om kwijtschelding van de openstaande vorderingen afgewezen op de grond dat hij over vermogen beschikt dan wel de beschikking heeft gehad, waaruit de openstaande vordering kon worden betaald .Hoewel het in beginsel mogelijk is om in het bestreden besluit in het kader van een volledige heroverweging van het bezwaar op grond van artikel 7:11 van de Awb een andere grondslag aan de weigering om kwijt te schelden ten grondslag te leggen is in het onderhavige geval in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb niet beslist op de grondslag van het bezwaarschrift. Eiser heeft in bezwaar onderbouwd gesteld dat niet wordt aangegeven waaruit dat vermogen bestaat en op grond waarvan aangenomen kan worden dat dit kan worden aangewend voor aflossing. Voor zover met vermogen wordt gedoeld op het huis dat eiser in Suriname bezit, wordt daartegen door eiser ingebracht dat als gevolg van deviezenbeperkingen eiser niet in staat is het daarin gebonden vermogen naar Nederland over te brengen, om die reden heeft dit in het verleden ook niet aan bijstand in de weg gestaan. Aangezien die deviezenmaatregelen nog steeds bestaan, kan dit vermogen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om kwijtschelding en het bezwaarschrift opgevat moeten worden als een beroep van eiser op artikel 6.3, tweede lid, onder d van de Beleidsregels WWB waarin is bepaald dat ook kwijtschelding kan plaatsvinden indien de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door voorbij te gaan aan deze stelling van eiser, heeft nagelaten volledig te beslissen op de bezwaren van eiser. In het bestreden besluit wordt immers slechts geconcludeerd dat eiser niet gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan van een voltooide besluitvorming in bezwaar eerst sprake zijn nadat verweerder een besluit heeft genomen op het zojuist besproken standpunt van eiser. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met artikel 7:11 van de Awb. Het bestreden besluit kent derhalve een motiveringsgebrek en zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep zal om deze reden gegrond worden verklaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat dit besluit vernietigd dient te worden. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij het griffierecht ten bedrage van € 39,- aan eiser moeten vergoeden. Voorts zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiser welke zijn begroot op € 644,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting). In beroep heeft eiser om een schadevergoeding verzocht. Nu het verzoek om schadevergoeding verder niet is onderbouwd zal de rechtbank dit verzoek afwijzen. De rechtbank beslist als volgt. 3. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het griffierecht ad € 39,- (zegge: negenendertig Euro) vergoedt. - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,- (zes honderd vierenveertig Euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank. - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 25 augustus 2008 door mr. M. de Rooij, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.S.N. van Samson, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Afschrift verzonden op: DOC:C